Woestijnvaderparabelogie

De afgelopen jaren hebben we op deze website veel blogs gepubliceerd over parabels in het antieke jodendom en christendom. Dit jaar willen wij onze blik op drie manieren verbreden: naar parabels uit andere perioden in het jodendom en christendom, naar parabels in andere culturen en religies én naar parabels in de literatuur en de filosofie. Om die verbreding mogelijk te maken hebben we een aantal experts gevraagd een gastblog te schrijven over parabels in hun vakgebied. De negentiende blog in de serie wordt geschreven door Mattias Rouw. Mattias Rouw is theoloog en bijzonder geboeid door de spreuken van de Woestijnvaders. Met zijn prachtig geïllustreerde boek Woestijnvaders onderweg won Mattias in 2015 de prijs voor het beste theologische boek van het jaar.

Om meteen met een beeld in huis te vallen, wat toch niet vreemd is bij een artikel over parabels, kan gezegd worden dat de woestijnvaderspreuken voor velen onder een dikke laag stof liggen. Ze zijn vergeten en worden niet meer gelezen. Wat jammer is, omdat de woestijnvaderspreukentraditie springlevend, oerchristelijk, praktisch en inspirerend is.

De woestijnvaderbeweging, waaruit de spreuken geboren zijn, ontstaat in de derde eeuw na Christus. Antonius de Grote (251-365) wordt over het algemeen als grondlegger beschouwd. Deze Egyptische monnik trekt als eerste de woestijn in om volmaakt te worden, geroepen door Jezus, die van ieder mens vraagt dit te zijn: ‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’ – Matteüs 5:48. Jezus vertelt ook hoe je dat kan doen: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen’ – Matteüs 19:21. Antonius voelt zich in 270 aangesproken door deze tekst tijdens een kerkdienst, verkoopt alles en vertrouwt op God. Het mooie is dat God zijn handelen niet ongezegend laat. Als men Antonius ziet, na decennia in eenzaamheid te hebben geleefd, zien zij een veranderd mens. Een Geest-geïnspireerd mens waarin God zichtbaar is. Dit leidt ertoe dat honderden mensen Antonius’ voorbeeld navolgden en zo ontstaat de woestijnvaderbeweging.

Geen notitieblokje

Icoon van Poimen van Sketis

De derde-eeuwse Egyptische woestijn is niet geschikt voor grote bibliotheken. Een notitieblokje en pen hebben de monniken ook niet, de woestijnvaderbeweging kenmerkt zich namelijk door bezitsloosheid. Zo ontstaat een mondelinge traditie van wijsheidsspreuken. Deze overlappen, qua vorm en genre, met gezegden, parabels, allegorieën, almanak- en folkloristische wijsheden. Men vindt er korte puntige spreuken, zoals bijvoorbeeld:

Abt Poimen zei van abt Pioor: ‘Elke dag begon hij opnieuw.’

Woestijnvaderspreuken – Poimen nr. 85

en

Abt Poimen sprak tot abt Jozef: ‘Zegt u me, hoe moet ik monnik worden?’ En hij zei: ‘Als u rust wilt vinden, hier en in het hiernamaals, zeg dan bij elke handeling: “Ik, wie ben ik!”, en oordeel niemand.’

Woestijnvaderspreuken – Poimen nr. 2

Naast korte spreuken zijn er ook langere. Een mooi voorbeeld komt van monnik Anoeb. Onderstaande spreuk – wat eigenlijk meer een voorgeleefde spreuk is – vindt plaats op het moment dat hij zijn intrek neemt in een verlaten heidense tempel, samen met zijn monnikengroep:

[…] Telkens wanneer abt Anoeb ’s morgens vroeg opstond, wierp hij stenen naar het gelaat van een beeld. En ’s avonds zei hij ertegen: ‘Neem me niet kwalijk’. En zo deed hij de hele week. Maar op de zaterdag kwamen ze allemaal samen. Toen zei abt Poimen tot abt Anoeb: ‘Ik zag, vader, dat u deze week stenen wierp naar het gelaat van het beeld en er later weer uw verontschuldiging voor aanbood. Doet een gelovig mens zulke dingen?’ De grijsaard antwoordde: ‘Deze daad deed ik voor u. Wanneer ik het gelaat van het beeld stenigde, zag u dan dat het sprak of kwaad werd?’ En abt Poimen antwoordde: ‘O nee’. ‘En vervolgens, wanneer ik het met een buiging mijn verontschuldiging aanbood, wond het zich dan op en zei: Nee, dat vergeef ik niet?’ En abt Poimen zei: ‘Nee’.

Woestijnvaderspreuken – Anoeb nr. 1

De voorgaande spreuk staat centraal in de wordingsgeschiedenis van het op schrift stellen van de mondelinge traditie van de woestijnvaderspreuken. Het is het jaar 407 als monniken Anoeb en Poimen (twee broers) samen met vijf anderen op de vlucht slaan voor berberse Mazices-rovers. De monniken wonen dan in het woestijngebied Sketis, ongeveer 100 kilometer ten zuidoosten van Alexandrië. Vervolgens vluchten ze naar het zuiden, 50 kilometer oostelijker, en komen in Therenoethin een verlaten heidense tempel tegen. Daar spreelt het voorgaande tafereel zich af, met Anoeb en het beeld. Hierna zegt monnik Anoeb tegen Poimen en de groep wat ze gaan doen:

Wij zijn hier met zeven broers. Als u, Poimen, verlangt dat we bij elkaar blijven, moeten we worden als dat standbeeld dat zich niet verroert, of het nu beledigd of geëerd wordt. Maar als u zo niet verlangt te worden, zie, er zijn vier poorten in de tempel, laat iedereen dan gaan waarheen hij wil.

Woestijnvaderspreuken – Anoeb nr. 1

Poimen en de anderen besluiten bij Anoeb te blijven en naar het voorbeeld van het tempelbeeld samen te leven. Onder leiding van Poimen begint men vervolgens spreuken te verzamelen en op schrift te stellen. Door woestijnrovers zijn veel monniken op de vlucht geslagen, waarbij het steeds moeilijker wordt om elkaar op te zoeken, wat een potentiële bom onder mondelinge traditie legt. Na Poimens dood gaan anderen verder met zijn werk en zo beslaan de Woestijnvaderspreuken uiteindelijk uitspraken van monniken uit Egypte, Syrië en Palestina, die leefden tussen 330 en 460. De spreuken zijn in twee vormen bewaard gebleven, zowel in het Grieks als in het Latijn. Ten eerste de Alfabetische Collectie en ook de Thematische Collectie, waarin de spreuken in 21 thema’s zijn onderverdeeld. Meer dan 1000 spreuken en verhalen staan er in van meer dan 130 monniken. Later werd er nóg een bundel samengesteld, de Anonieme Collectie, hierin staan meer dan 640 spreuken van monniken wiens namen niet bekend zijn.

Parabels in de Woestijnvaderspreuken

De Woestijnvaderspreuken zijn niet bijzonder filosofisch of wijsgerig, wat hen bijzonder maakt is hun reddingskracht. ‘Vader, geef mij een woord opdat ik gered mag worden,’ is de opmaat van veel woestijnvaderspreuken. Het is een vraag om levensreddend advies, een wijs woord, een profetische opdracht om aan vast te houden, zodat men door het oefenen van gehoorzaamheid verder kan komen in het leven met God. De spreuken zijn als medicijnen uit een medicijnkast, antigif tegen de slangenbeten van de duivel. Dát maakt de wijze woorden het bewaren en herinneren waard. De volgende spreuk laat deze urgentie zien.

Stop niet met het bezoeken van de wijze grijsaards. Er zal een dag komen dat, als je God wil dienen, je overwinningen zal behalen door hun woorden. Als wilde gedachten opsteken als stormen, denk dan aan de woorden van de wijzen, daar zal je zal hulp vinden en zal je gered worden.

Woestijnvaderspreuken (Koptisch) 13.72

Woorden om je aan vast te grijpen tijdens stormachtige gedachten … met die gedachte startte Poimen met het op schrift stellen van de mondelinge spreuken en werden de Woestijnvaderspreuken (Gr. Apophthegmata Patrum) geboren. Geschraagd door de herinneringstraditie hebben vele diep-persoonlijke en doorleefde spreuken hun weg naar schrift, zoals bijvoorbeeld de woestijnvaderspreuk van monnik Olympius:

Abt Olympius van het gebied Sketis werd bekoord tot onkuisheid. Zijn gedachte zei hem: ‘Kom, neem een vrouw!’ En hij stond op, bewerkte een klomp klei en kneedde er een vrouw van. Toen sprak hij tot zichzelf? ‘Kijk, daar staat je vrouw! Nu moet je ook hard werken om haar te eten te geven’. En hij werkte met grote inspanning. Op een dag daarna bewerkte hij opnieuw een klomp klei en kneedde er zich een dochter uit, en hij sprak tot zijn gedachte: ‘Je vrouw heeft gebaard, nu moet je nog harder werken om ook je kind te eten te geven en te kleden’. En zo doende putte hij zich uit. Toen sprak hij tot zijn gedachte: ‘Ik kan die zware arbeid niet meer aan’. Waarop hij antwoordde? ‘Als je die arbeid niet aan kunt, zoek dan ook geen vrouw!’ En omdat God zijn inspanning zag, nam Hij de bekoring van hem weg en hij had rust.

Woestijnvaderspreuken – Olympius nr. 2

Dit ultiem doorleefde voorbeeld van monnik Olympius valt misschien niet helemaal binnen de strikte regels van wat een parabel is, immers, parabels hebben veelal als doel hun boodschap op een indirecte manier te communiceren, om de luisteraar aan het denken te zetten, of in sommige gevallen zelfs buiten te sluiten bij het missen de interpretatieve sleutel. Meer parabel-achtige spreuken zijn zeker ook te vinden binnen de woestijnvaderspreuken. Zo vertelt vader Poimen eens het volgende verhaal, geheel in de lijn van de parabels die Jezus vaak vertelde over zaaien, grond en oogsten:

Een broeder zei tegen abt Poimen: ‘Als ik aan mijn broeder een stuk brood geef of iets dergelijks, klagen de duivels mijn aan, alsof ik het zou doen om gezien te worden en complimenten te ontvangen’. De grijsaard zei hem: ‘Al gebeurt het om gezien te worden, laten we niettemin aan onze broeder het nodige geven’. En hij hield hem ongeveer deze gelijkenis voor: ‘Er waren eens twee boeren die in eenzelfde stad woonden. En de een zaaide en haalde een beetje en van slechte kwaliteit binnen, terwijl de ander te lui was om te zaaien en helemaal niets binnenhaalde. Als er nu een hongersnood zou uitbreken, wie van de twee vindt dan nog iets om van te leven?’ De broeder antwoordde: ‘Hij die een beetje en van slechte kwaliteit had binnengehaald’. De grijsaard zei hem: ‘Laten daarom ook wij zaaien, al is het weinig en van slechte kwaliteit, om niet van honger te sterven’.

Woestijnvaderspreuken – Poimen nr. 51

Het zaaien staat in de spreuk voor het doen van goede daden, dat wordt door de laatste zin wel duidelijk. Doe liever iets dan niets, is Poimens advies. Het sluit aan bij de Jezus’ parabel van de talenten. Doe goede dingen met wat je hebt, laat je niet onzeker maken. Natuurlijk, trots moet ten alle tijden vermeden worden, maar laat je goede daden niet gijzelen door vals aangeklaagd te worden, of angstig te worden. Blijf nederig oefenen, met de nadruk op nederig én oefenen; God ziet het hart aan. De voorgaande parabel van Poimen mag dan vrij gemakkelijk te interpreteren zijn, toch is dat niet altijd zo. Soms is een spreuk zo raadselachtig dat in de spreuk zelf al om uitleg wordt gevraagd.

Er was eens een wereldling, die tijdens zijn leven zeer godvrezend was. Toen hij abt Poimen een bezoek bracht, trof het juist dat er bij de grijsaard nog andere broeders waren die hem verzochten een woord tot hen te spreken. De grijsaard zei tegen de gelovige wereldling: ‘Spreek een woord tot de broeders!’ Maar hij smeekte hem: ‘Neemt u me niet kwalijk, abba, ik kwam om te leren’. Maar op aandringen van de grijsaard sprak hij: ‘Ik ben in de wereld groentenverkoper en handelaar, ik maak de bosjes los en maak er kleine van, ik sla goedkoop in en verkoop duur. Weliswaar kan ik niet spreken uit de Schrift, maar ik zal u een gelijkenis vertellen. Iemand zei tegen zijn vriend: ‘Ik begeer toch zozeer de koning te zien. Kom met me mee’. Zijn vriend antwoordde hem: ‘Ik vergezel je tot halverwege’. En hij zei tegen een andere vriend van hem: ‘Kom, breng jij me naar de koning’. En hij antwoord de hem: ‘Ik breng je tot het koninklijk paleis’. En tegen de derde zei hij: ‘Kom met me mee naar de koning’. En hij antwoordde: ‘Ik kom en breng je het paleis binnen. Daar houd ik stil, spreek met de wacht en die brengt je voor de koning’. Zij vroegen hem daarna? ‘Wat betekent die gelijkenis?’ En hij gaf hun als antwoord: ‘De eerste vriend is de ascese, die brengt tot aan de weg, de tweede is de reinheid, die reikt tot aan de hemel, en de derde is de aalmoes, die in vrijmoedigheid voert tot voor God, de koning’. En gesticht vertrokken de broeders’.

Woestijnvaderspreuken – Poimen nr. 109

Mattias Rouw

Wat een prachtige parabel van Poimen, die een fiets presenteert met drie versnellingen: de eerste is de ascese, de tweede reinheid en de derde versnelling is de vrijmoedige aalmoes … waarmee je uiteindelijk tot voor Gods troon reist.

En zo zijn nog honderden prachtige woestijnvaderspreuken en parabels om over te vertellen. Maar, laten we nu eerst eens in de lijn van de woestijnvaders denken. Zij zouden zeggen: ‘Heb je al iets gelezen waar je iets mee kan? Heb je iets gelezen wat je zou kunnen gaan doen?’ Lees de spreuken maar eens terug. Je komt dan vast wel iets tegen. ‘Nou, begin dan vandaag te oefenen om dit in de praktijk te brengen,’ zouden de wijze grijsaards vervolgens zeggen. Want waarom iets goeds tot morgen uitstellen, als je het vandaag kan doen?

Verder lezen

  • Mattias Rouw, Woestijnvaders onderweg (Brandaan, 2015).
  • Anselm Grun, Een jaar met de Woestijnvaders (Berne Media, 2019).

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.