De parabel van de valk en de boom. Het morele conflict in Lanseloet van Denemerken

De afgelopen jaren hebben we op deze website veel blogs gepubliceerd over parabels in het antieke jodendom en christendom. Dit jaar willen wij onze blik op drie manieren verbreden: naar parabels uit andere perioden in het jodendom en christendom, naar parabels in andere culturen en religies én naar parabels in de literatuur en de filosofie. Om die verbreding mogelijk te maken hebben we een aantal experts gevraagd een gastblog te schrijven over parabels in hun vakgebied. De achttiende blog in de serie wordt geschreven door dr. Cécile de Morrée. Cécile de Morrée promoveerde in 2017 op een onderzoek naar tijd in laatmiddeleeuwse liederen, een onderzoek waarvoor ze de Radboud Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren Prijs won. Ze is momenteel universitair docent Middelnederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit.

Het middeleeuwse toneelstuk Lanseloet van Denemerken (ca. 1400-1420), één van de vier zogenoemde ‘abele spelen’, wordt al eeuwenlang vertolkt op het toneel, gelezen op scholen en bestudeerd door wetenschappers. Kennelijk blijven we steeds vanuit nieuwe invalshoeken geboeid door de lotgevallen van de hoofdpersonen, Lanseloet en Sanderijn, wier oprechte liefde wordt gedwarsboomd door een onoverkomelijk statusverschil en de sabotage-kunsten van Lanseloets moeder. Lanseloet is een tragische held, die een innerlijke strijd voert tussen zijn verlangen naar Sanderijn en de wetenschap dat zij beneden zijn stand is. Sanderijn is een gelouterde heldin, die haar maagdelijkheid niet wil opgeven aan iemand waarmee een huwelijk onmogelijk is, en die nadat Lanseloet haar heeft verkracht en beledigd, elders een nieuw leven begint. Alleen achtergebleven, sterft Lanseloet, getergd door verdriet en – vooral – door berouw om zijn eigen aandeel in de gebeurtenissen. Zijn kamerheer, Reinout, wendt zich tot het publiek en raadt ons aan lering te trekken uit het gebeurde: wees in de liefde altijd oprecht en beschaafd.

Over wat er precies voorvalt tussen Lanseloet en Sanderijn in Lanseloets (slaap)kamer is al veel gediscussieerd, vooral omdat de verkrachting en belediging zelf niet in de tekst staan vastgelegd. Het handschrift volstaat op dit punt met een eenvoudige regieaanwijzing: ‘Nu heeft si gheweest met hem in die camere’.[1] Hier wil ik graag de parabel uitlichten die gedurende het toneelstuk maar liefst vier keer wordt gebruikt om het centrale conflict inzichtelijk te maken, zowel aan het publiek als tussen de personages onderling. Ik wil nagaan wat de functie is van deze herhaalde parabel. En is er echt sprake van redundantie of is de vertelde parabel steeds net een andere?

Afbeelding in Codex Manesse (circa 1304) met boom en valk

De parabel van de valk en de boom

We horen de parabel voor het eerst bij monde van Sanderijn. Eenmaal Lanseloets kasteel ontvlucht, wil zij haar oude leven achter zich laten. In een woud – in de middeleeuwse literatuur een traditionele plaats voor de ontwikkeling van een zoekend personage – ontmoet ze een ridder. We komen zijn naam nooit te weten, maar hij lijkt het beste met Sanderijn voor te hebben en wil met haar trouwen. Sanderijn heeft hier wel belangstelling voor, maar is terughoudend: niet alleen was haar laatste ervaring met een man weinig positief, ze is daarbij ook haar maagdelijkheid verloren en daardoor is haar waarde op de middeleeuwse huwelijksmarkt ernstig aangetast. Maar Sanderijn is eerlijk, oprecht en intelligent. Ze gaat voorzichtig te werk en vertelt de ridder een parabel om hem van haar situatie op de hoogte te brengen.

Ze wijst een boom aan en beschrijft met overgave hoe prachtig deze bloeit (vs 488-495). Daarmee doelt ze op haar eigen bloei, ofwel haar onbedorven toestand van voor de verkrachting. Dan komt ze tot de kern van de kwestie. Ze presenteert deze in de vorm van een moreel dilemma:

[Sanderijn:]

Quame nu een valcke van hogher aert

Ghevloghen op desen boem, ende daelde,

Ende ene bloeme daer af haelde,

Ende daer na nemmermeer neghene

Noch noit en haelde meer dan ene,

Soudi den boem daer omme haten

Ende te copene daer omme laten?

(vs 496-502)

 

Als er nu een valk van hoge afkomst kwam,

die hier neerdaalde op deze boom,

En er een bloem uit plukte,

En daarna nooit meer een,

En die ook niet meer dan één bloem nam,

Zou u hierom de boom dan haten,

En zou u om deze reden ervan afzien haar te kopen?[2]

Sanderijn houdt met deze hypothetische formulering in het midden hoe de parabel zich verhoudt ten opzichte van de werkelijkheid. Ze biedt de ridder zo de kans om zonder gezichtsverlies te weigeren. Wellicht beschermt ze ook haar eigen reputatie tegen een mogelijke afkeurende reactie. Die blijft echter uit. De ridder heeft de boodschap begrepen en antwoordt met de grootst mogelijke beleefdheid, namelijk door binnen de realiteit van Sanderijns parabel te blijven:

[De ridder:]

Scone wijf, ic versta u wale.

Ene bloeme dat en es niet,

En esser nemmeer toe ghesciet;

Daer omme en salic den boem niet haten

Noch te copene daer omme laten,

Want hi es soe scone ghedaen.

Ic sie daer op soe meneghe bloeme staen

Met groten hopen sonder ghetal,

Daer edel vrucht af comen sal.

(vs. 506-514)

Mooie dame, ik begrijp u goed.

Eén bloem, dat is niets,

Als het daarbij is gebleven;

Ik zal daarom de boom niet haten

En er ook niet van afzien haar te kopen,

Want deze boom is bijzonder mooi.

Ik zie daaraan nog zo veel bloemen,

Een grote hoeveelheid, ontelbaar,

Die heerlijke vruchten zullen voortbrengen.

De ‘koop’ kan dus doorgaan en samen gaan ze de toekomst tegemoet. Intussen krijgt Lanseloet wroeging. Hij mist Sanderijn en stuurt Reinout erop uit om haar op te sporen. Na een jaar zoeken vindt deze haar, maar ze weigert met hem mee terug te gaan. Daarop vraagt Reinout om een teken, iets waarmee hij aan zijn heer kan aantonen dat hij haar heeft gesproken. Sanderijn geeft hem de parabel, maar dit keer is het verhaal niet hypothetisch meer. Deze versie van de parabel staat een stuk dichter bij de werkelijkheid van de personages, als een droom of zelfs een gezamenlijke herinnering:

[Sanderijn:]

Ghi selt segghen den ridder vri,

Dat wi stonden, ic ende hi,

In enen sconen groenen bogaert,

Ende dat daer quam van hogher aert

Een edel valcke van hogher weerde,

Ende beete neder op ene gheerde,

Die scone met haren bloemen stoet.

Dit seldi segghen den ridder goet,

Ende dat die valke, die daer quam,

Ene bloeme van dier gheerden nam,

Ende alle die andere liet hi staen.

Sine vlerken ghinc hi van hem slaen

Ende vloech wech met haesten groet.

Dit seldi seggen den edelen genoet.

(vs 793-806)

 

Je zult aan de ridder zeggen

Dat wij stonden – ik en hij –

In een prachtige groene boomgaard,

En dat toen een valk van hoge afkomst,

– een voorname valk, die veel aanzien geniet –

Neerdaalde op een tak

Die vol in bloei stond.

Dit zul je de goede ridder zeggen,

En dat de valk, die daar verscheen,

Een bloem van die tak pakte,

En alle andere bloemen liet hij staan.

Hij klapte met zijn vleugels

En vloog weg in grote haast.

Dit zul je vertellen aan de edele prins.

De parabel presenteert nu geen moreel dilemma meer, maar brengt een doelgerichte boodschap over aan Sanderijns belager. De functie daarvan gaat verder dan het teken van leven waar Reinout om vroeg; Sanderijn maakt Lanseloet hier duidelijk hoe zij het gebeurde heeft ervaren. Dit is cruciaal, omdat dit het enige moment in het toneelstuk is dat Sanderijn communiceert met haar verkrachter (na het voorval in ‘die camere’ verlaat ze immers direct het kasteel). Bovendien vertelt Sanderijn nu ook hoe het afliep. Wellicht in zelfvertrouwen gesterkt door haar complimenteuze ridder, benadrukt ze dat de valk alle andere bloemen liet staan en er haastig vandoor wiekte. Ten slotte actualiseert ze de parabel naar het huidige moment in het toneelstuk, door te refereren aan Reinouts zoektocht. De parabel groeit dus mee met de ontwikkelingen van het personage Sanderijn en van het plot:

[Sanderijn:]

Ende cort soe quam die valke daer weder

Ende sochte die geerde op ende neder,

Maer hi en mochse vinden niet.

Dies doeghde die valke wel swaer verdriet,

Dat hi die gheerde dus niet en vant.

Dit seldi segghen den coenen wigant.

(vs 807-812)

 

En kort daarop kwam de valk daar terug,

En overal zocht hij naar diezelfde tak,

Maar hij kon haar nergens vinden.

Het deed de valk heel veel verdriet,

Dat hij de tak niet meer terugvond.

Dit zul je overbrengen aan de dappere held.

Reinout, echter, is niet de ontvanger maar de boodschapper. Hij brengt de parabel nagenoeg letterlijk over aan Lanseloet (vs. 865-883), maar om hem de pijn van haar weigering en zijn gemis te besparen (vs. 820-837), voegt hij eraan toe dat Sanderijn kort daarop is overleden. De parabel verandert hierdoor opnieuw: voor Lanseloet is het niet meer enkel een moreel verwijt, maar ook een persoonlijke boodschap uit het graf. Lanseloet heeft hier een kennisachterstand ten opzichte van het publiek: wij weten dat Sanderijn springlevend en gelukkig is, maar voelen aan dat de parabel op Lanseloet een andere uitwerking zal hebben.

Het effect blijft niet lang uit. In een emotionele monoloog herkent Lanseloet ten slotte zichzelf in de valk en identificeert hij de boom als zijn geliefde Sanderijn:

[Lanseloet:]

O Sanderijn, ghi waert die gheerde,

Die scone met haren bloemen stoet,

Ende ic die valke, dies benic vroet,

Die ene bloeme daer af nam.

Want mi nie sint vroude en bequam,

Dat ic die edele gheerde verloes,

Soe hebbic ghequolen altoes.

(vs 894-900)

O Sanderijn, jij was de tak,

Die zo fraai in bloei stond,

En ik was de valk, dat begrijp ik wel,

Die daar een bloem van wegnam.

Want nooit meer was ik gelukkig,

Sinds ik die prachtige tak kwijt raakte,

Zo heb ik voortdurend liefdespijn geleden.

Lanseloet herhaalt de essentie van de parabel hier voor zichzelf en ziet dan zijn fouten in: had hij zich niet zo lomp gedragen, had hij niet zijn moeders snode advies gevolgd Sanderijn de rug toe te keren, dan was hij zijn geliefde niet kwijtgeraakt. In het handschrift staat op dit punt de volgende regie-aanwijzing: ‘Lanseloet beclacht hier Sanderijn ende blijft hier doot.’ Van de parabel als verdubbeling van de realiteit lijkt weinig sprake meer. Lanseloet ontcijfert de verhulde morele betekenis niet alleen – hij vat deze persoonlijk op en handelt daar ook naar. Hij meent dat hem niets meer rest dan een samenzijn met Sanderijn in de hemel en hij geeft de geest.

De parabel van de valk en de boom is geen vast omlijnde morele les, maar een medium voor betekenisoverdracht dat meebeweegt met de personages en het plot. Door verschillen in stijl, formulering en inhoud worden elke keer andere aspecten benadrukt, met een andere uitwerking als gevolg. Het toneelstuk Lanseloet van Denemerken biedt zo ook een inkijkje in hoe parabels in de orale vertelcultuur gefunctioneerd kunnen hebben: ze reizen van situatie naar situatie, en worden daarbij telkens een beetje aangepast.

Cécile de Morrée

Bibliografie

Lanseloet van Denemerken. Een abel spel, ed. Hans van Dijk. Amsterdam: Amsterdam University Press (1995).

Cécile de Morrée, ‘Sanderijns zeshonderd jaar lange weg naar erkenning’, Neerlandistiek.nl, 23 februari 2021.

Bart Ramakers, ‘Woorden en daden. Thematiek en dramatiek van “Lanseloet van Denemerken”’, Queeste 7 (2000) 1, p. 51-73.

Remco Sleiderink, ‘Het mirakel van Sanderijn’, Neerlandistiek.nl, 21 december 2017.

Voetnoten

[1] Zie bijvoorbeeld de recente discussie op Neerlandistiek.nl: Het mirakel van Sanderijn. #MeToo in de Middelnederlandse literatuur (neerlandistiek.nl); Als een meisje ja zegt … Een antwoord aan Remco Sleiderink (neerlandistiek.nl) en Sanderijns zeshonderd jaar lange weg naar erkenning (neerlandistiek.nl).

[2] Alle vertalingen in dit artikel zijn van de hand van de auteur.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.