Parabelproject

Masjal en midrasj

Wie deze parabelblog volgt zal al vaak de term ‘midrasj’ zijn tegengekomen. De parabels of mesjaliem in de rabbijns-Joodse traditie komen namelijk meestal voor in een context van midrasj, dat is de rabbijnse vorm van interpretatie van de Hebreeuwse Bijbel.

Midrash met een hoofdletter

Midrash met een hoofdletter

Om te beginnen is het nuttig om het jargon duidelijk te maken. ‘Midrasj’ kan namelijk op meerdere dingen slaan. Ten eerste zijn er de complete werken van rabbijnse Schriftinterpretatie, die Midrasjiem worden genoemd, zoals bijvoorbeeld de Midrasj ‘Genesis Rabba’, de Midrasj ‘Mechilta de Rabbi Isjmael’, en de Midrasj ‘Sifre’. In deze betekenis schrijf ik ‘Midrasj’ met een hoofdletter: deze geeft aan dat het hier om een rabbijnse werk gaat, dat geheel en al bestaat uit interpretatie van een bepaald deel van de Bijbel. Met een kleine letter geschreven, kan ‘midrasj’ op minstens twee dingen slaan. Ten eerste wordt het proces van rabbijnse Schriftinterpretatie ‘midrasj’ genoemd. Zoals bijvoorbeeld in de zin: ‘Het is kenmerkend voor (de) midrasj dat de afzonderlijke letters van een woord een aparte betekenis krijgen’. Ten tweede wordt ‘midrasj’ ook gebruikt om een individuele eenheid van Schriftinterpretatie aan te geven, bijvoorbeeld: ‘In een midrasj op Exodus 15:1 in de Mechilta worden paard en ruiter vergeleken met lichaam en ziel’.

Zoals gezegd komen de meeste rabbijnse mesjaliem voor in Midrasjiem, en functioneren ze daar in de midrasj in beide betekenissen die hierboven zijn aangegeven: de mesjaliem maken deel uit van een interpretatie-eenheid die gericht is op de uitleg van een stukje bijbeltekst: een vers of een stuk van een vers; en een masjal is op zijn beurt zelf meestal een vorm van interpretatie van dat stukje bijbeltekst. In deze laatste zin is de masjal dus een alternatieve vorm van midrasj, naast andere vormen. Soms is de masjal een soort midrasj van de tweede orde: dan biedt hij een interpretatie van een eerdere interpretatie die in een voorafgaande midrasj is gegeven. Omdat dit allemaal heel abstract blijft, lijkt het ingewikkeld. Een tweetal concrete voorbeelden uit de Mechilta, de oudste Midrasj op het boek Exodus, zullen dit echter snel duidelijk maken.

In het eerste voorbeeld maakt de masjal deel uit van een midrasj op Exod 14:5. Deze masjal biedt een rechtstreekse interpretatie van de bijbeltekst (in donkergroen): het ‘schreeuwen’ en de ‘zonen van Israël’ hebben een direct equivalent in de parabel in het ‘boos zijn’ en de ‘zoon’. In onderstaande vertaling van Arie Kooijman staan de masjal (I) en de toepassing, de nimsjal (II) duidelijk aangegeven. De nimsjal voert de situatie terug naar het bijbelvers, en citeert dit ook: een schoolvoorbeeld van een mooi gestructureerde rabbijnse masjal, hoewel de precieze implicaties nog wel wat denkwerk vragen.

En de Eeuwige sprak tegen Mozes: Waarom schreeuw je tegen Mij? Zeg tegen de zonen van Israël dat ze opbreken! (Exod 14:5)

I. Een gelijkenis. Waarmee is dit vergelijken?

Met iemand die boos was op zijn zoon en hem verbande uit zijn huis. Zijn vriend kwam binnen om hem te verzoeken zijn zoon weer in huis te nemen. Hij zei tot hem: ‘Als je me alleen iets komt vragen vanwege mijn zoon: ik heb me al met mijn zoon verzoend’.

II. Zo zei de Heilige tot Mozes: ‘Waarom schreeuw je zo tegen Mij? Is het niet vanwege Mijn zonen? lk heb Mij al met mijn zonen verzoend. Zeg tegen de zonen van Israël dat ze opbreken!’

Uit: Mechilta de rabbi Isjmael, Besjallach 4; vertaling A.  Kooyman, Als een Koning van Vlees en Bloed, Ten Have, 1977, 35.

In het volgende voorbeeld borduurt de masjal voort op de interpretatie van de bijbeltekst in de net voorafgaande midrasj. In die midrasj worden Benjamin en Juda geïntroduceerd. De masjal voert op zijn beurt twee zonen ten tonele. Het vers dat hier aan de orde is, Exod 14:22 gaat helemaal niet over twee zonen, zelfs niet over twee groepen. Deze idee komt geheel en al uit de midrasj. Dit is dus een voorbeeld van een ‘secundaire’ interpretatie in de masjal: een interpretatie van de interpretatie van het bijbelvers.  In onderstaande vertaling van Arie Kooijman staan de delen van de tekst, de midrasj, de masjal (I) en de nimsjal (II) weer duidelijk aangegeven. Het uitleggen van de details van de midrasj, die gebaseerd is op een spel met de Hebreeuwse woorden ‘rodem’ en ‘rigma’ zou ons te ver voeren.

En zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur (Exod 14:22).

Midrasj

Rabbi Meïr zei: Toen de stammen bij de zee stonden, zei de één: ‘Ik daal als eerste af in de zee; de ander zei: ‘Ik daal als eerste af in de zee.’ Terwijl ze daar met stonden te bekvechten sprong de stam van Benjamin op en daalde als eerste in zee af. Gelijk er gezegd is: Daar is Benjamin, de jongste, hun heerser (Ps. 68). Lees niet ‘hun heerser’ (rodem), maar ‘daal af in de zee’ (rod-jam). Daarop begonnen de vorsten Juda hen met stenen te bekogelen (meragmim). Gelijk er gezegd is: De vorsten van Juda met hun hopen (rigmatam) (Ps. 68:28).

I. Een gelijkenis. Waarmee is dit te vergelijken?

Met een koning die twee zoons had. De één groot, de ander klein. Hij zei tegen jongste: ‘Wek me bij zonsopgang!’ Tegen de oudste zei hij: ‘Wek me op het derde uur!’ Toen de jongste hem bij zonsopgang wilde wekken, hield de oudste hem tegen. Hij zei tot hem: ‘Hij heeft tegen mij gezegd: op het derde uur.’ De jongste zei tegen hem: ‘Hij zei tegen mij: bij zonsopgang.’ Terwijl ze met elkaar stonden bekvechten, ontwaakte hun vader. Hij zei tot hen: ‘Mijn zonen, in elk geval hadden jullie mijn eer op het oog. Ook ik zal jullie je loon niet onthouden.

II. Aldus, welk loon ontving de stam van Benjamin voor het feit dat deze als eerste in de zee afdaalde? De Sjechina rustte op zijn deel. Gelijk er gezegd is: Benjamin is een roofzuchtige wolf. In de morgen verslindt hij zijn prooi en in de avond verdeelt hij de buit (Gen. 49:27). En er staat: Van Benjamin zei hij: De lieveling van de Eeuwige, Hij zal in veiligheid op hem wonen (Deut. 33:12). Wat was het loon, dat de stam van Juda ontving? Hij was het koningschap waardig, gelijk er gezegd is: De vorsten van Juda in koninklijke waardigheid (Hebr. rigmatam) (Ps. 68:28). ‘Rigma’ betekent niet anders dan ‘koningschap’. Gelijk er gezegd is: Toen sprak Belsjatsar, dat ze Daniel met purper (argeman) zouden bekleden (Dan. 5:29).

Uit: Mechilta de rabbi Isjmael, Besjallach 6; vertaling A. Kooyman, Als een Koning van Vlees en Bloed, 42, met een paar kleine aanpassingen.

We hebben dus gezien dat mesjaliem in de rabbijnse literatuur, meestal vóórkomen in een context van midrasj, en dat ze daar in feite dezelfde rol vervullen als de omringende ‘midrasj’ passages, namelijk de interpretatie van een bijbeltekst. Soms kan dat direct zijn, en soms via de omweg van een eerdere midrasj. Er moet hier wel een aantekening worden gemaakt: ‘midrasj’ is dan wel de rabbijnse vorm van interpretatie van de Bijbel, maar interpretatie moet hier wel op een speciale manier worden – ja – geïnterpreteerd. Het gaat hier niet om ‘exegese’ in de academische zin van het woord. Rabbijnse midrasj is veel meer dan uitleggen van problematische teksten. In de uitleg schuilt ook altijd een stuk lering: de rabbijnen brengen hun visie op God, mens en maatschappij naar buiten via hun ‘uitleg’ van de bijbelteksten. In de midrasj, en in de nimsjal, die de laatste masjal weer terugbrengt naar de stammen Benjamin en Juda, zitten bepaalde opvattingen verscholen over de positie van deze twee stammen.  Het zal de lezer niet ontgaan zijn dat de stam van Benjamin, die dapper de eerste sprong in het water maakt, in een positiever licht wordt gesteld dan de stam van Juda, die stenen naar hen gooit. Het feit dat de tempel in het grondgebied van Benjamin – en niet van Juda – staat wordt hier gelegitimeerd. Echter, het koningschap van Juda staat onbetwistbaar vast. In andere versies van deze masjal, die we terugvinden in andere Midrasjiem, komt Juda er minder goed van af en gaat de voorkeur nog veel duidelijker naar Benjamin. Hier wordt de midrasj dus een voertuig voor politieke ideeën, als het ware. Andere midrasjiem en mesjalim, bevatten eerder theologische of filosofische boodschappen. Dit alles echter in de vorm – niet de vermomming!- van interpretatie van de Schrift.

Lieve Teugels