Voorgoed verloren zoon

De afgelopen jaren hebben we op deze website veel blogs gepubliceerd over parabels in het antieke jodendom en christendom. Dit jaar willen wij onze blik op drie manieren verbreden: naar parabels uit andere perioden in het jodendom en christendom, naar parabels in andere culturen en religies én naar parabels in de literatuur en de filosofie. Om die verbreding mogelijk te maken hebben we een aantal experts gevraagd een gastblog te schrijven over parabels in hun vakgebied. De achtste blog in de serie wordt geschreven door prof. dr. Jaap Goedegebuure, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Jaap Goedegebuure heeft veel gepubliceerd over literatuur in de 19e en 20ste eeuw en is daarnaast literatuurcriticus voor onder meer Trouw. In deze blog gaat Goedegebuure in op een specifiek aspect van de receptie van de gelijkenis van de Verloren Zoon.

Sinds zo’n twee eeuwen geleden de ontkerstening over een steeds breder front inzette, worden Bijbelverhalen tegendraads gelezen en herschreven. Byron kon in het gelijknamige gedicht van broedermoordenaar Kaïn een heroïsche rebel maken. Getuige zijn drama Saul ontdekte André Gide in de eerste koning van Israël de homoseksueel.  Vestdijk zette in het portret van zondares Maria Magdalena, te vinden in zijn roman De nadagen van Pilatus, de wellustige kant nog wat sterker aan. En Guus Kuijer gunde de steevast als slecht geprofileerde vrouw van Achab een glansrol in Izebel van Tyrus.

Tegendraadse lezingen van de parabel van de verloren zoon zijn er ook volop. Het was opnieuw André Gide die in Le retour d’enfant prodigue (1912) dit personage tot tolk maakte van een pleidooi ten gunste van de zelfverwerkelijking waartoe elk individu volgens hem de plicht heeft. Wie niet bereid is huis en haard achter zich te laten wordt nooit degene die hij of zij in diepste wezen is. Falen is vergeeflijk, maar niet streven naar authenticiteit geldt als laf.

Zelfverwerkelijking kan gericht zijn op het verwezenlijken van autonomie – onaantastbaar worden als een rots, een eiland, om met Paul Simon te spreken: ‘I have no need of friendship, friendship causes pain – I am a rock, I am an island.’  Bij Gide’s tijdgenoot Rilke gaat het verlangen naar autonomie zo ver dat de liefde van anderen als een last wordt ervaren. Aan het slot van Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge (1910) keert Rilke’s verloren zoon zijn familie de rug toe omdat hij die last niet langer wil dragen. Liever alleen dan afhankelijk van de genegenheid waarmee je naasten je knechten, is zijn devies. Eenzaam en berooid begint hij zijn liefde bij wijze van stil en doelloos werk te richten op een zwijgende, misschien wel afwezige god. En daarin blijft hij volharden als hij uiteindelijk toch terugkeert naar het vaderhuis en eens te meer met ongevraagde liefde wordt overstelpt.

Niet alleen de ontkerstende Gide en Rilke benaderden de parabel vanuit een  onverwachte hoek, de kerkelijk gebleven dichters Willem de Mérode (1887-1939) en Geerten Gossaert (1884-1958) lieten zich evenmin onbetuigd. Dat zij met Gide een orthodox-calvinistische opvoeding deelden is geen toeval: vanwege de nadruk op het goddelijke genadeaanbod (dat prevaleert boven de eigen verdienste in de vorm van de zogeheten goede werken) bood de gelijkenis van de verloren zoon Calvijn een relevante casus om het verschil met de roomse versie van de christelijke heilsleer te benadrukken.

Niettemin stellen De Mérode en Gossaert het voor als zou de verloren zoon grote moeite hebben om zich naar de vaderlijke genade te plooien. In De Mérode’s gedicht blijft het ongebonden bestaan ook na thuiskomst lokken, zelfs nu de zoon beseft dat het in het teken stond van de zonde.

Ach, dat reeds de eerste stonde,

dat reeds in de eerste nacht

Ik, trots mijn moeders kussen,

naar àndre weelden smacht;

 

Dat mijn onhandig harte

niet eerder zwijgen zal,

Vóór ik die zoete togen

Opnieuw verkrijgen zal;

 

Vóór ik (nog toeft het donker),

hun bitterheid ten hoon

Mijn ouders erve ontsluipe,

voorgoed verloren zoon.

Anders dan de verstokte zondaar die De Mérode ten tonele voert, is Gossaerts verloren zoon niet van zins om andermaal voor de brede weg te kiezen. Wel heeft hij nog zoveel eigenliefde in zich, en is hij  na thuiskomst ook te trots en te moe, om de schande te kunnen verduren en zich bloot te stellen aan nieuwsgierige blikken en pijnlijke vragen. Zich uitleveren aan de anderen is voor hem, net als voor de verloren zonen van Gide en Rilke, strijdig met zijn zelfrespect. God is de enige die hij onder ogen wil komen.

Bekennen? Neen. Dat blijv’ ’t geheimenis mijns levens…

Ontkenn’ mijn strak gelaat de wroeging mijner pijn…!

En God, schoon ‘k bukk’ voor U en smeeke om veel vergevens,

Duld, ’s werelds hoon ten trots, mijn zéér hoogmoedig-zijn!

 

Geen boetkleed, opgeschort, vertoone, onverbonden,

In valsche needrigheid aan ’t gapende gemeen

Op ’s levens ijdle markt de walging mijner wonden…

Dès wete Die ze sloeg, met die ze U kloeg alléén.

Hij houdt zich voorlopig schuil en gaat bij het ochtendgloren zijn vaders land op, om bij wijze van verootmoediging achter de ploeg te lopen, met gebogen hoofd.

In Gossaerts bundel Experimenten (1911) gaat aan ‘De verloren zoon’ het gedicht ‘De moeder’ vooraf. Het is verleidelijk om het te lezen als een aanvulling op de parabel. Waar die wordt gedomineerd door het duo vader en zoon, met een broer als tegenstem, daar richt Gossaert in ‘De moeder’—overigens net als De Mérode—de schijnwerper op een personage dat in de oorspronkelijke tekst helemaal niet wordt genoemd. Het lijkt wel alsof de rol van de vader (die getuige de vermelding in Lucas 15:20, dat hij de zoon van verre ziet komen, altijd heeft zitten wachten op diens terugkeer), in dit tweede gedicht wordt toebedeeld aan de moeder.

Sprak geen vervloeking…

Doch, bijna blijde,

Beval den maegden:

Laat immermeer

De zetels staan en

De lampen aan en

De poort geopend, de slotbrug neer.

 

En toen, na jaren,

Melaatsch, een zwerver

Ter poorte klaagde:

Uw zóón keert weer…

Zag zij hem aan en

Vond geen tranen,

Voor zooveel vréugde geen tranen meer.

De conclusie mag misschien zijn dat vaders genade voor recht laten gelden, maar dat moeders vooral handelen uit liefde.

Jaap Goedegebuure

Verder lezen

Ulla Musarra-Schrøder, Hans van Stralen en Patrick Chatelion Counet, Een woonplaats voor de verloren zoon; literair-wetenschappelijke en theologische essays over de Verloren Zoon, Quine, Nijmegen, 1990.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.