Parabelproject

Opzichters of uitvoerders? Zorgende vaders in nieuwtestamentische en vroegrabbijnse parabels

Scène uit “De opvoeders”, 16 april 2018 (EO).

“Je voedt een kind natuurlijk nooit alleen op. […] Vaak is het natuurlijk met z’n tweeën, een vader en moeder die het samen doen.” Zo wordt de tweede aflevering van het nieuwe EO-programma De opvoeders geïntroduceerd door ontwikkelingspsycholoog Steven Pont (“Opvoeden als team,” 16 april 2018). Meer dan in andere afleveringen komt in deze aflevering de rol van de vader aan bod. Zo krijgen we te zien hoe vader Ravenshorst meehelpt de drieling te verschonen en naar bed te brengen, terwijl vader Mosselman met zijn twee zoons aan het koken is. “Samen” betekent voor deze gezinnen dat niet alleen de moeder maar ook de vader zorgtaken van zijn kinderen op zich neemt. Zorgende vaders dus!

In nieuwtestamentische en vroegrabbijnse parabels komen zorgende vaders ook voor. Met uitzondering van één parabel met een borstvoeding gevende vrouw (in Sifre Numeri 89//Sifre Zuta Numeri 11:8) zijn het zelfs alleen de vaders en niet de moeders die een zorgende rol voor hun kinderen toebedeeld krijgen. Zijn deze zorgende vaders dan vergelijkbaar met de zorgende vaders die we aantreffen in De opvoeders? Nee, dat niet. Ze zijn van een heel ander kaliber.

Moderne zorgende vaders zoals in De opvoeders verrichten fysieke en concrete handelingen van zorg, zoals het klaarmaken van het eten en het verschonen van hun kind. Aangezien ze concrete zorgtaken uitvoeren, zouden we deze vaders uitvoerders van zorg voor hun kinderen kunnen noemen. De zorgende vaders in nieuwtestamentische en vroegrabbijnse parabels hebben echter een controlerende rol in de verzorging van hun kinderen. Omdat ze zelden concrete zorghandelingen verrichtten (slechts één vader is aan het malen en bakken, zie de parabel in Tosefta, Sanhedrin 1:2), zouden we deze vaders beter opzichters of controleurs kunnen noemen.

‘Manna in de woestijn’. Verluchtiging door Anton Koberger in een Duitse Bijbel, 1483, Universiteit van Edinburgh.

Onderstaande parabel uit Sifre Numeri kan als voorbeeld dienen. De parabel is deel van een midrasj op Numeri 11:5. In dit vers sommen de Israëlieten enkele voedselproducten uit Egypte op en klagen daarmee over het eenzijdige menu (manna) dat zij in de woestijn van God krijgen (11:6). Met de parabel wordt zowel verklaard waaróm God het manna niet in de genoemde voedselproducten veranderde als hoe Israëls klacht over het manna moet worden opgevat:

Rabbi Simeon zei: Het manna veranderde voor hen [de Israëlieten] in elke smaak die ze wensten, uitgezonderd de vijf soorten [de producten genoemd in Num 11:5].

Een parabel. Waar lijkt het op? Het lijkt op een koning van vlees en bloed die zijn zoon aan een pedagoog overhandigde. Hij ging zitten en beval hem: “Alsjeblieft, hij mag geen slecht voedsel eten en hij mag geen slechte drank drinken.” Hierover rebelleerde de zoon tegen zijn vader, zeggende: “Het is niet omdat hij van mij houdt, maar omdat het niet mogelijk voor hem is het te eten.” (Sifre Num. 87)

In deze parabel verschijnt een vader die de verzorging van zijn zoon controleert en beheerst. Hij verbiedt namelijk zijn pedagoog (vaak een slaaf) om zijn zoon bepaalde voedselproducten te geven. Hieruit blijkt dat hij toezicht houdt op de voedselinname van zijn zoon en bepaalt wat die wel en niet mag eten. De concrete zorgtaak—het geven van eten (en waarschijnlijk ook het klaarmaken ervan)—verricht de koning niet zelf, maar besteedt hij uit aan zijn ondergeschikte slaaf.

De terugkeer van de verloren zoon. De vader wijst het te slachten kalf aan

De twee nieuwtestamentische parabels met een vader in een zorgende rol portretteren zorgende vaders op een vergelijkbare manier als vroegrabbijnse parabels. In de kleine parabel van de voedsel vragende zoon vraagt Jezus retorisch of er vaders in zijn publiek zijn die een steen of een slang zouden geven als hun zoons om een brood of een vis zouden vragen (Matteüs 7:9–11; parallel Lukas 11:11–13). Deze vaders geven hier hun zoons te eten, maar in deze zorgtaak nemen zij een controlerende positie in. Hun zoons moeten hen om eten vragen, terwijl de vaders bepalen wat zij te eten krijgen. De zoons zijn dus sterk afhankelijk van hen. In de parabel van de verloren zoon en zijn broer (Lukas 15:11–32) geeft de vader zijn slaven de opdracht om het gemeste kalf te slachten ter gelegenheid van de terugkeer van zijn jongste zoon (v. 23). Aangezien de vader bepaalt dat het gemeste kalf mag worden geslacht, controleert hij wat de gasten van het feestmaal (o.a. zijn zoons) te eten krijgen. De “productie” van het eten—en vermoedelijk de gehele organisatie van het feest—laat hij over aan zijn slaven.

De Romeinse familie

Deze weergave van zorgende vaders als controleurs en opzichters sluit aan bij laat-antieke en rabbijnse mannelijkheidsidealen. Van een vrije volwassen man werd verwacht dat hij een dominante positie innam, ook in het huishouden. Vrouwen, (minderjarige) kinderen, slaven en bezit vielen onder zijn autoriteit. Deze dominante positie wordt gereflecteerd in de rol die de man idealiter innam in het proces van voedselbereiding. De norm was dat de man als eindverantwoordelijke toezicht hield op het bereidingsproces, terwijl anderen (vrouwen, slaven) als “hulpkokken” het voedsel bereidden. Bij deze mannelijkheidsidealen passen zorgende vaders in de rol van opzichter beter dan die in de rol van uitvoerders. En deze opzichter-types passen weer goed bij de toepassing van de parabels waarin ze veelal God representeren die de controle heeft over voedselbronnen of andere gaven voor Israël.

P.S. Voor de parabel in Tosefta, Sanhedrin 1:2 zie de blog van Eric Ottenheijm op het Utrecht Religie Forum: https://urf.sites.uu.nl/2018/03/19/religie-ethiek-en-economie/.

Albertina Oegema

 

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *