Parabels, algehele menselijkheid en het drama van de waarheid: de “Ringparabel” in Lessings Nathan der Weise

De Zwitserse theoloog Johann Kaspar Lavater probeert de joodse wetenschapper Moses Mendelssohn te bekeren terwijl Gotthold Ephraim Lessing toekijkt. Kopergravure door Moritz Daniel Oppenheim

De afgelopen jaren hebben we op deze website veel blogs gepubliceerd over parabels in het antieke jodendom en christendom. Dit jaar willen wij onze blik op drie manieren verbreden: naar parabels uit andere perioden in het jodendom en christendom, naar parabels in andere culturen en religies én naar parabels in de literatuur en de filosofie. Om die verbreding mogelijk te maken hebben we een aantal experts gevraagd een gastblog te schrijven over parabels in hun vakgebied. De twaalfde blog in de serie wordt geschreven door prof. dr. Paul Ziche. Paul Ziche is hoogleraar Geschiedenis van de Nieuwere Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht en onderzoeksdirecteur van het Onderzoeksinstituut voor Filosofie en Religiewetenschap dat aan die universiteit gevestigd is.

Gotthold Ephraim Lessings drama Nathan der Weise, gepubliceerd 1779, wordt meestal gelezen als verwoording van een van de meest klassieke parabels in de literatuurgeschiedenis: de parabel van de drie ringen. Deze parabel vinden we in het hart van Lessings toneelstuk, daar waar men het hoogtepunt van de handeling zou verwachten. Volgens deze parabel verdient geen van de drie abrahamitische religies op basis van openbaring of historische legitimatie een voorkeur. Alle religies moeten en kunnen ernaar streven om door alomvattende menselijkheid hun claims te rechtvaardigen – en deze claims gaan dan niet langer over de details en de rituelen van religieuze praktijken, maar moeten het ethisch goede handelen centraal stellen. Lessings drama is dan ook dé klassieke tentoonspreiding van het verlichte ideaal van religieuze tolerantie, vol met tegeltjeswijsheden over humaniteit.

Het drama eindigt met het tafereel van één grote familie; “zwijgend vallen alle elkaar steeds weer in de armen”: Nathan, de wijze en rijke Jood, zijn dochter Recha, de machtige, beschaafde Sultan Saladin, bijna even wijs als Nathan, Saladins zuster Sittah, en een jonge tempelier, onstuimig, maar wel op weg naar dieper inzicht, omarmen elkaar. Maar niets is zoals het lijkt: Recha is de geadopteerde dochter van Nathan, en komt uit een christelijke familie; de tempelier is de zoon van de broer van de Sultan; en hij is ook de broer van Recha. Iedereen blijkt met iedereen verwant (met uitzondering natuurlijk van Nathan zelf). Maar de gevonden harmonie eist ook dat traditionele relaties opzij worden gezet: dat geldt voor religieuze vooroordelen evenals voor de jeugdige liefde die tussen Recha en de tempelier was ontbrand (en die zelf al voorbij alle religieuze en politieke grenzen ging).

Waarheid, “sprookjes”, “verhaaltjes”: Waarheid als wisselgeld

Dat het centrum van het drama een parabel is, is opmerkelijk. In het centrum staat geen tragisch conflict, geen harde beslissing, maar een tekst die zelf een complexe interpretatie vereist. Hoe kan een parabel deze dramaturgische functie vervullen? Lessings toneelstuk blijkt veel meer dan alleen een explicatie van de leuze van de parabel. In zijn drama bespreekt Lessing ook de status van verhalen en de verschillende vormen van waarheid die wij in teksten en in de traditie van teksten tegenkomen.

Het narratief van de parabel van de drie ringen is bekend; Boccaccio neemt deze parabel (die al veel ouder is en haar oorsprong waarschijnlijk in joodse contexten heeft) op in zijn Decamerone. De Sultan Saladin wil geld lenen, en zoekt dus naar manieren om de joodse zakenman onder druk zetten zonder hierbij geweld te hoeven gebruiken; hij stelt daarom de vraag welke van de drie grote religies de ware religie is. Als Nathan zich op één van deze religies zou vastleggen, komt hij in de problemen. Nathan vertelt zijn parabel dus in een economische context, als een vorm van wisselgeld, om zich los te kopen in een lastige situatie waarin de sultan hem “vallen” wil zetten (1739). In deze situatie wil hij het “tactvol aanpakken” (1884), en verzint zijn parabel om de sultan met een “Märchen”/”sprookje” (zoals men het ook aan kinderen zou vertellen) “ab[zu]speisen”, stil te krijgen (1889-90). Lessing vertaalt hier de economische context naar een metafoor voor de waarheid. De metafoor van geld, in het bijzonder van muntgeld, is een basismetafoor in het nadenken over waarheid geworden, en zij reflecteert ook kritisch op stereotiepe beelden betreffende de socio-economische rol van de Joodse bevolking in het vroegmoderne tijdperk. De parabel wordt tot een vorm van economisch én epistemisch wisselgeld.

Wat betreft het waarheidsgehalte van de parabel, zijn de verwachtingen dus klein. Nathan introduceert de parabel als een “Geschichtchen”, een “verhaaltje” (1906); het verkleinwoord springt in het Duits veel meer in het oog dan dat in het Nederlands het geval is. Zodra Nathan begint aan het vertellen van zijn “verhaaltje”, kantelt echter de toonzetting. Nathans parabel verplettert de Sultan, die aan het eind slechts onsamenhangende grote woorden kan roepen: “Ik, stof? Ik, niets? O, God!” (2056-7). De parabel zelf gaat als volgt: in en oude familie wordt een waardevol sieraad, een ring met een opaal (een steen met alle kleuren dus) al eeuwenlang doorgegeven. Deze ring heeft de mystieke kracht zijn drager “bij God en mens geliefd te maken” (1915-6), als men hem tenminste vol vertrouwen in deze macht draagt. Liefde en vertrouwen zijn de basis waarop de ring wordt doorgegeven (dit motief ontbreekt bij Boccaccio, net zoals de wonderachtige kracht van de ring): steeds krijgt die zoon de ring van wie de vader het meest houdt. Het doorgeven van de ring staat dus ook voor het doorgeven en het verdienen van liefde. Het wordt nu duidelijk hoe het verhaal verder zal gaan. Op een gegeven moment zijn er drie zoons die allemaal de vaderlijke liefde evenzeer hebben verdiend. Wat te doen? Een kunstenaar maakt twee andere ringen, zo dat niemand meer deze ringen kan onderscheiden (in Boccaccio’s versie kan de vader als enige nog wel een verschil waarnemen). Ook de volgende stap is duidelijk. Er ontstaat conflict, oorlog; elke zoon beweert de enig echte ring in handen te hebben. Als resultaat verdwijnt de wonderbaarlijke kracht van de ring; geen van de zoons weet zichzelf, in de ogen van God en de mensen, “geliefd te maken”.

Boccaccio’s verhaal eindigt hier. Lessing gaat verder. Bij hem wordt een wijze rechter geïntroduceerd die de hele vraagstelling omkeert. Deze rechter maakt duidelijk dat het niet de ring is die achting voor zijn drager oproept (men zou kunnen vragen: heeft de ring dat dan ooit gedaan?); de drager moet deze achting zelf verdienen, en dat staat los van alle verschillen tussen de religies.

Parabels als indicator voor menselijkheid

Foto van een moderne opvoering van Nathan der Weise door het Volkstheater München (foto Arno Declair)

Wat betreft de dramaturgische functie van de parabel van de drie ringen moet worden opgemerkt dat in het derde bedrijf van het drama wel degelijk, direct voor en na de scènes met de Ringparabel, ernstige bedreigingen voor Nathan ontstaan, precies zoals men in een klassiek drama zou verwachten. De parabel zelf wordt verteld in een economisch-epistemisch dreigende situatie (het woord “gevaar” wordt expliciet gebruikt). Ook Recha’s christelijke “gezelschapsdame” Daja de geschiedenis van Recha’s afkomst aan de tempelier verklapt is potentieel gevaarlijk. De tempelier gaat namelijk naar de christelijke patriarch, en naar Saladin, en vertelt beiden de waarheid over Recha’s afkomst en opvoeding. De patriarch laat dan direct zien hoe aanstootgevend hij deze waarheid vindt: “Tut nichts! Der Jude wird verbrannt.” – “Maakt geen verschil! De Jood zal branden” (2546, 2553, 2558-9).

Uiteindelijk komt er geen echte bedreiging voor Nathan. Maar deze uitwisseling van verhalen in Lessings drama koppelt de Ringparabel aan een breder discours over de rol van verhalen. Dat de waarheid over Recha’s afkomst meerdere keren wordt verteld, is belangrijk. Aan de patriarch presenteert de tempelier het verhaal als een hypothetisch probleem, maar de patriarch kan hier niets mee; hij kan alleen in feitelijke termen denken (al het andere hoort op het “toneel” thuis, 2522). Ook aan Saladin vertelt de tempelier het verhaal in de irrealis, als een “dagdroom” (2724), maar hij blijft wel dichter bij een feitenrelaas. De moslim Saladin reageert zoals verwacht. Hij vraagt om geduld, en hij organiseert de bijeenkomst van de nieuw te vormen familie aan het einde van het drama. De stompzinnige agressie die de christelijke patriarch vertoont, een persoon die door Lessing met agressieve spot wordt behandeld, laat dus ook zien dat het een kenmerk is van ware menselijkheid om hypothetische en parabolische denkvormen te kunnen gebruiken, om verhalen te kunnen vertellen en hiervan te kunnen genieten. In zijn drama zijn het de vertegenwoordigers van het Jodendoom en de Islam die hierin vaardig zijn; de christelijke personages in het drama kunnen hier veel van leren.

Natuurlijk wil Lessing het ideaal van wereldomvattende harmonie bevorderen, waar deze harmonie – zoals de Ringparabel betoogt – door moreel te handelen moet worden bereikt. Tegelijkertijd ontwikkelt hij een sterke esthetisch-educatieve imperatief: een parabel, of een toneelstuk, een fabel, een sprookje goed te kunnen lezen, is cruciaal om tot een volwaardige mens te worden. Door parabels op waarde te schatten, worden we betere mensen.

Paul Ziche

Verder lezen

  • Nederlandse vertaling: Gotthold Ephraim Lessing: Nathan de wijze. Vertaald door Jaap van Vredendaal. Amsterdam: Boom 2013. Verwijzingen tussen haakjes verwijzen naar de doorgenummerde verzen in deze vertaling.
  • Zeer goede overzicht/inleiding: Monika Fick (ed.): Lessing Handbuch. Leben-Werk-Wirkung. Stuttgart-Weimar: Metzler 2010.
  • Over de traditie van de parabel van de drie ringen: Barbara Roggema, Marcel Poorthuis, und Pim Valkenberg, Hrsg., The Three Rings. Textual Studies in the Historical Trialogue of Judaism, Christianity, and Islam, Leuven/Dudley, MA: Peeters, 2005.
  • Een interpretatie van Nathan als “Negotiating Truth” in: Willi Goetschel: Spinoza’s modernity. Mendelssohn, Lessing, and Heine. Madison, Wisconsin: University of Wisconsin Press 2004, hoofdstuk 16.
  • Over de filosofiehistorische context: Henry Allison: Lessing and the Enlightenment. His philosophy of religion and its relation to eighteenth-century thought. Albany, NY: Suny Press 2018.
  • Goed overzichtsartikel: Peter Dinzelbacher: „Kritische Bemerkungen zur Geschichte der religiösen Toleranz und zur Tradition der Lessing’schen Ringparabel“, Numen 55 (2008), 1-26.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.