Een verloren familie

De afgelopen jaren hebben we op deze website veel blogs gepubliceerd over parabels in het antieke jodendom en christendom. Dit jaar willen wij onze blik op drie manieren verbreden: naar parabels uit andere perioden in het jodendom en christendom, naar parabels in andere culturen en religies én naar parabels in de literatuur en de filosofie. Om die verbreding mogelijk te maken hebben we een aantal experts gevraagd een gastblog te schrijven over parabels in hun vakgebied. De zestiende blog in de serie wordt geschreven door Nikki Spoelstra. Nikki Spoelstra (1996) heeft haar bachelor Nederlandse Taal en Cultuur afgerond met een specialisatie in letterkunde en volgt momenteel de onderzoeksmaster Nederlandse Literatuur en Cultuur aan de Universiteit Utrecht. Sinds 2018 is ze daarnaast betrokken als student-assistent bij het Parabelproject.

Frans Kellendonk, 1989 (foto: Steye Raviez)

In 1986 verschijnt Mystiek lichaam van Frans Kellendonk (1951-1990). Op dat moment weet nog niemand, ook de auteur zelf niet, dat dit het sluitstuk van zijn literaire oeuvre zal zijn. Kellendonk overlijdt slechts enkele jaren later aan de gevolgen van de ‘nieuwe ziekte’, die vanaf de jaren tachtig de levens eist van veel homoseksuelen. Tijdens het schrijven van het manuscript had de auteur reeds het gevoel dat Mystiek lichaam een bijzondere roman ging worden. ‘Ik heb zo’n idee dat dit boek diepzinniger en veelomvattender is dan alles wat ik tot dusver heb geschreven,’ schreef Kellendonk een jaar voor publicatie in een persoonlijke brief. Dit moest zijn magnum opus worden.

De publicatie van Mystiek lichaam heeft de schrijver weliswaar veel publiciteit opgeleverd, maar die was aanvankelijk vooral negatief. In de literatuurkritiek werd een pennenstrijd gevoerd—ontketend door politicus en literatuurcriticus Aad Nuis in De Volkskrant—waarin de auteur werd verweten een roman te hebben geschreven vol antisemitisme, homofobie en misogynie. In Mystiek lichaam komen verschillende ‘hete hangijzers’ (o.a. abortus) naar voren, daarom had Kellendonk bepaalde kritiek wel verwacht, maar de uiteindelijke beschuldigingen kwamen als een donderslag bij heldere hemel. De auteur ontkende geenszins dat zijn personages uitspraken doen die als antisemitisch of homofoob kunnen worden bestempeld, maar hij achtte het onjuist dat er één-op-één een lijn werd getrokken tussen de auteur en het literaire werk.

De ‘affaire’ heeft de verkoop van de roman niet gestagneerd—intussen is de eenentwintigste druk verschenen—maar het heeft wel de nodige invloed gehad op de receptie. Mystiek lichaam is na verschijning vooral gelezen in het licht van de aantijgingen van joden- en homohaat. De minder discutabele kwesties of thema’s werden hierdoor overschaduwd en hebben derhalve minder aandacht gekregen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de rol van religie en de overdaad aan bijbelse en liturgische verwijzingen in de roman, hoewel die reeds in de titel Mystiek lichaam (‘corpus mysticum’) besloten ligt. Dit is inmiddels overigens ruimschoots gecompenseerd door onder meer Jaap Goedegebuure en Johan Goud, die beiden uitvoerige analyses hebben gepubliceerd van de religieuze thematiek bij Kellendonk.

Een bijbeltekst die in het bijzonder resoneert in Mystiek lichaam is de welbekende parabel van de verloren zoon (Lucas 15:11–32). De verloren zoon is in de moderne literatuur uitgegroeid tot een populair motief. In zowel poëzie als proza is de parabel herschreven in het licht van de tijd, zoals Jaap Goedegebuure heeft laten zien in zijn bijdrage. Welke functie heeft de literaire bewerking van de parabel van de verloren zoon in Mystiek lichaam?

Geen hoeksteen

In Mystiek lichaam wordt het ‘gebroken’ gezin Gijselhart opgevoerd, bestaande uit vader A.W. Gijselhart, dochter Magda (‘Prul’) en broer Leendert Gijselhart (‘Broer’). De kinderen zijn reeds volwassen en hebben het ouderlijk nest verlaten, terwijl vader Gijselhart zijn oude dagen in eenzaamheid slijt. De onvolledigheid van het gezin wordt benadrukt in de beschrijving van het huis, dat de sprekende naam ‘Doornenhof’ draagt: ‘Het huis leek een half huis, de stenen roerloosheid leek te verlangen naar een verloren wederhelft. Maar die wederhelft was er nooit geweest.’ (15) De ‘verloren wederhelft’ lijkt te verwijzen naar de afwezige moeder, die al op jonge leeftijd is gestorven. Gijselhart rouwt echter geen moment om zijn verloren echtgenote, zijn huwelijk met haar was nooit serieus bedoeld. De orthodoxe visie op het gezin ziet de oude Gijselhart bovendien ook als een misverstand:

Het gezin is een verband van kettinggangers, hulpeloze kindertjes die geketend zijn aan hun moeder, die weer met handen en voeten gebonden is aan een kostwinnaar, die zelf weer de slaaf is van zijn baas… (132)

Tegenover de norm van het ‘orthodoxe’ gezin (vader, moeder, kinderen) als eenheid, als hoeksteen van de samenleving, wordt een gebroken gezin geplaatst dat bestaat uit een weduwnaar, een homoseksuele zoon en een ongehuwde, zwangere dochter – door Gijselhart ironisch beschouwt als een ‘heilige familie’.

De verloren dochter

De roman opent met de terugkomst van dochter Magda bij haar ouderlijk huis op Tweede Paasdag. Als vader Gijselhart zijn dochter waarneemt bij de poort, denkt hij: ‘Ze was terug, zijn enige eeuwige dochter, en deze keer misschien voorgoed’. (14) Terwijl de vader in de parabel zijn jongste zoon al van een afstand herkent, heeft vader Gijselhart wat meer tijd en aanwijzingen nodig om zijn dochter te identificeren. Pas nadat hij driemaal luid wordt geroepen (‘lamzak!’) ziet hij dat ‘het witte iets’ geen engel of wit wief is, maar zijn ‘Magdamaagdje’. De terugkeer van de verloren dochter is feitelijk haar zoveelste wederkomst:

Soms hield Prul het drie maanden uit in haar eentje, soms duurde het zelfs zes maanden, maar telkens kwam toch het ogenblik dat haar vader op de drempel stond en met hoofdschuddend leedvermaak kon vaststellen dat ze er weer een janboel van had gemaakt. (49)

Een janboel is het ook ditmaal, als blijkt dat zijn dochter ongehuwd zwanger is geraakt van een oudere man die de benen heeft genomen richting Zwitserland.

Net als in de bijbelse parabel vindt de vaderfiguur dat de terugkeer van zijn kind gevierd moet worden met een feestmaal, ditmaal in een restaurant als decor van de moderne tijd. In de parabel onderstreept het feestmaal de barmhartigheid of de vrijgevigheid van de vader, maar Gijselhart blijkt al snel een antipode te zijn van de vaderfiguur uit de parabel. Bij aankomst in het restaurant sluit hij vlug een deal met de eigenaar: een gratis maaltijd in ruil voor een acculader. Gijselhart dwingt zijn dochter vervolgens om zo veel mogelijk van de duurste wijnen en gerechten te consumeren om de acculader ‘voor hem terug te verdienen’. De terugkeer van zijn verloren dochter is duidelijk minder belangrijk voor de vader dan zijn kapitaal: ‘Ik houd alleen maar van geld. Ik zou zelfs mijn enige dochter verkopen, als er iemand was die haar hebben wilde.’ (41) Gijselhart noemt geld zijn ‘religie’; het christendom heeft plaatsgemaakt voor het kapitalisme. Dit is geen vader die zijn erfenis gemakkelijk zal afstaan aan het nageslacht.

De ongewenste zoon

In het tweede deel wordt de terugkeer van de verloren zoon Leendert beschreven, die net als de jongste zoon uit de parabel berooid thuiskomt: niet alleen is de bodem van zijn portemonnee bereikt, ook is zijn carrière als kunstcriticus mislukt en staat de dood hem vroegtijdig op te wachten door een aidsbesmetting.

De band tussen vader en zoon is geenszins hecht te noemen. Leendert vindt dat hij beter af zou zijn als volledige wees met zo’n vader als Gijselhart. De vader op zijn beurt lijkt zijn zoon helemaal vergeten te zijn, als hij zegt dat hij buiten zijn dochter Magda om niemand heeft op de wereld. De ontvangst van de ‘verloren zoon’ door de vader is dan ook allerminst warm te noemen:

Beneden in de hal wachtte een familielid. Als hij het lang genoeg liet wachten zou het misschien vanzelf weggaan. (…) Hij had erop vertrouwd dat de dreiging weer zou overgaan, net als de stank van de varkenshouderij verderop, die soms ook de Doornenhof aandeed wanneer de wind verkeerd stond. Daar wachtte hij niettemin in de hal, de verloren zoon, moe van het hoeden der Newyorkse zwijnen. (133)

De intertekstuele relatie met de bijbelse parabel van de verloren zoon is hier gemarkeerd door in de tekst concreet te spreken over ‘de verloren zoon’, maar de daadwerkelijke ontvangst van de zoon door de vader is tegengesteld aan de parabel. Dit wordt versterkt als vader Gijselhart even verderop denkt: ‘Als hij maar niet dacht dat zijn vader het gemeste kalf voor hem zou slachten.’ (134) Vergelijk dit met de reactie van de vader in de parabel: ‘Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren.’ (Lucas 15:23)

In Mystiek lichaam is het dus de verloren dochter in plaats van de verloren zoon die vreugdevol wordt ontvangen met een feestmaal. In tegenstelling tot de bijbelse parabel is het juist de wedergekeerde zoon zelf die jaloezie vertoont. Leendert is jaloers op iedereen die wel deel uitmaakt van het heilige familieverband. Hij maakt als praktiserend homoseksueel geen deel uit van ‘de geschiedenis van het vlees’, terwijl zijn zuster Magda net een zoon ter wereld heeft gebracht.

 Een teruggekeerde vader

De laatste wederkomst is die van de joodse Bruno Pechman, de vader van de pasgeboren baby Victor. Met de hoofdstuktitel ‘enfant perdu’ (‘verloren kind’) wordt duidelijk gemaakt dat ook deze terugkeer in het licht van de parabel gelezen kan worden. Pechman wil aanvankelijk geen gehoor geven aan zijn rol als vader, maar besluit uiteindelijk toch terug te keren naar moeder en kind. Zo wordt de terugkeer van de verloren zoon bij zijn vader gevolgd door de terugkeer van de verloren vader bij zijn zoon.

Pechman wacht geen warm welkom aan de Doornenhof, dat onder meer blijkt uit de vlaag van antisemitische uitspraken en stereotypen (‘de neus stelde hem teleur’), maar uiteindelijk wordt hij met instemming van vader Gijselhart alsnog toegelaten tot het familieverband omdat hij hem een kleinzoon heeft geschonken (‘op een tikkeltje dankbaarheid mocht de Jood wel aanspraak maken’). In het licht van de receptiegeschiedenis van de parabel van de verloren zoon in de westerse geschiedenis, is het verleidelijk om dit te lezen als een allegorische verzoening tussen jodendom en christendom. Toch lijkt me dat te geforceerd, omdat de voornaamste motivatie voor de verzoening het krenken van zoon Leendert betreft.

Een opvallend detail, tot slot, betreft de subtiele verwijzing naar de parabel door Pechman als hij tegen zijn dreumes zegt:

Je moeder, mijn prinsje (…) die heb je nodig in je luiertijd, wanneer je hand je mond nog niet weet te vinden (…) Maar straks, wanneer je de jaren des onderscheids bereikt, dan kom je vanzelf naar je vader, die steeds op je heeft gewacht. Hij zal je wegwijs maken in de grote wereld. Hij is opgegroeid in het donker, hij ziet bij het licht van zijn eigen ogen. Hij is een schriftgeleerde, een droomduider, hij zal nooit verdwalen in de piramide! (179)

Zo verwordt Pechman van een terugkerende vader bij zijn zoon een vader die zijn zoon zal opwachten.

Tot slot

Nikki Spoelstra

In Mystiek lichaam zijn veel bijbelse verhalen en verwijzingen opgenomen, maar de verwerking van de parabel van de verloren zoon springt in het bijzonder in het oog. De plot wordt gekenmerkt door drie wederkomsten, waaronder die van een verloren dochter en zoon die achtereenvolgend terugkeren bij de alleenstaande vader. De dochter wordt met open armen en inclusief maaltijd ontvangen, terwijl de terugkeer van de zoon met argwaan wordt gadegeslagen. De terugkeer van zoon Leendert fungeert het duidelijkste als antipode van de verloren zoon uit de Lucasparabel en Leendert vertoont eerder trekken van de jaloerse broer. De omkering van de parabel is compleet als op het einde een verloren vader ten tonele verschijnt en terugkeert bij zijn pasgeboren zoon.

De ironische bewerking, of soms zelfs parodiërende omkering, van de parabel van de verloren zoon lijkt in Mystiek lichaam als doel te hebben om aan te tonen dat het ‘oude verhaal’ (christendom) niet langer past in de nieuwe (seculiere, individuele, kapitalistische) tijd. Kellendonk heeft als ‘ongelovige katholiek’ te midden van de jaren tachtig kritisch gereflecteerd op de teloorgang van de traditionele zekerheden van het geloof en de bijbehorende gemeenschapszin. Het gebroken, niet-traditionele gezin Gijselhart dient als spiegel voor de toenmalige maatschappij, waarin huwelijk noch gezin langer dienden als hoeksteen van de samenleving. Er is geen harmonieuze thuishaven meer om naar terug te keren.

Met dank aan Jaap Goedegebuure voor de gedachtewisseling over deze bijdrage.

Verder lezen

  • Jaap Goedegebuure. Kellendonk. Een biografie. Amsterdam: Querido, 2018.
  • Jaap Goedegebuure. Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010. Nijmegen: Vantilt, 2010.
  • Johan Goud. “Frans Kellendonk (1951-1989): Gods blinde handlanger.” Pagina 145–162 in Gods letterproeverij. Portretten van katholieke literatoren. Editie Frank Bosman en Arnold Smeets. Nijmegen: Valkhof Pers, 2017.
  • Nadine van Maanen en Marc van Zoggel. “Heilige haast. Over Mystiek lichaam van Frans Kellendonk.” Literatuurmuseum, 31 oktober 2018.
  • https://literatuurmuseum.nl/verhalen/frans-kellendonk/heilige-haast.
  • Frans Kellendonk. Mystiek lichaam. Amsterdam: Querido, 2015.
  • Matthieu Sergier. “Bijbelse ethiek en literaire herschrijving. De dolingen van een verloren zoon in Frans Kellendonks Mystiek lichaam (1986).” Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 126.2 (2010): 190–201.
  • Hans van Stralen. “Toen kwam hij tot zichzelf. Het motief van de Verloren Zoon in de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw.” Pagina 25–62 in Een woonplaats voor de verloren zoon. Literair-wetenschappelijke en theologische essays over de Verloren Zoon. Editie Ulla Musarra-Schrøder, Hans van Stralen en Patrick Chatelion Counet. Nijmegen: Quine, 1990.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.