Een parabel voor de Corona-crisis

In uitspraken van (niet alleen) jongeren, over de huidige Corona-crisis horen we soms dat we met zijn allen moeten boeten voor de ongezonde levensstijl van de babyboomers: deze bezetten de IC’s, voor hen ligt de economie plat, en de volgende generaties moeten de gevolgen dragen. Een variant is dat de aarde wraak zou nemen vanwege de jarenlange verkeerde omgang met dieren en natuurlijke bronnen. Ook hier zijn het vooral de kinderen van nu die opgezadeld zitten met de problemen van hun ouders en grootouders.

In de Bijbel is de notie dat iemand, of een heel volk, kan gestraft worden vanwege de zonden van zijn of haar voorouders courant. Zo lezen we de in de  Tien Geboden: “Ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten.” (Exodus 20:5). Ook in het Nieuwe Testament zien we dat de gedachte dat iemand moet boeten voor de schuld van voorouders springlevend is. Als Jezus een blinde man ontmoet, die al vanaf zijn geboorte blind is, vragen Zijn leerlingen: “Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?” (Johannes 9:2).

Sommige bijbelschrijvers hadden echter al moeite met deze gedachte. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Klaagliederen 5:7 waar staat: “Onze voorouders hebben gezondigd; zij zijn er niet meer, nu dragen wij hun schuld.” (Het is zelfs een gezegde geworden: Jer. 31:29-30 en Ezech. 18:2)

Ook de rabbijnen uit de eerste eeuwen van onze tijdrekening zaten er mee in hun maag. Dat heeft er niet alleen mee te maken dat ze het onrechtvaardig vinden dat God de zonden van de voorouders vergeldt aan het nageslacht. Zij merkten ook de tegenstellingen in de Bijbel op. Ezechiël 18:20 zegt namelijk het volgende: “Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon.” Teksten als Exodus 20:5 en Ezechiël 18:20 lijken elkaar dus tegen te spreken. En dat is voor rabbijnen een ondenkbare gedachte. In de Bijbel komen volgens hen geen tegenstrijdigheden voor en er worden uiteraard al helemaal geen teksten daaruit geschrapt. Er moet dus een manier zijn om deze teksten uit te leggen op zo’n manier dat ze niet met elkaar in tegenspraak zijn.

In de Mechilta de Rabbi Shimon bar Jochai, een rabbijnse commentaar op het boek Exodus uit de derde eeuw, vinden we een parabel die de zojuist beschreven thematiek behandelt (sectie Bachodesj).

Eén tekst zegt: Hij verzamelt de zonde van de vaderen op de zonen (Exodus 20:5).  En een tekst zegt: Een vader draagt niet van de zonde van de zoon en een zoon draagt niet van de zonde van de vader (Ezechiël 18:20). Als de vaderen het waard waren, zou hij het voor hen kwijtschelden, en indien niet, dan zal hij het niet voor hen kwijtschelden. Zij vertelden een parabel. Waarop lijkt dit? Op een die van de koning honderd maneh (een oude munteenheid) leende. Hij schold het hem kwijt. Zijn zoon kwam en hij leende van de koning honderd maneh. Hij schold het hem kwijt. En de zoon van zijn zoon kwam en leende van de koning honderd maneh. Hij schold het hem kwijt. Aan de vierde leende de koning niet, vanwege hun vaderen, aan wie hij had moeten kwijtschelden. Daarom staat er geschreven:  Onze voorvaderen zondigden en zij zijn er niet, en wij dragen hun zonde (Klaagliederen 5:7).

De spanning tussen Exodus 20:5 en Ezechiël 18:20 wordt volgens deze interpretatie als volgt opgelost: Ezechiël 18:20 zou een uitzondering zijn op de regel van Exodus 20:5. Dat wil zeggen: God kan het nageslacht straffen voor de zonden van het voorgeslacht (Exodus 20:5), maar als de directe ouders van een bepaald persoon niet schuldig of zondig zijn, dan kan de “vloek” worden verbroken en wordt deze persoon niet meer gestraft voor de schuld van voorouders.

De parabel bevestigt Exodus 20:5: God straft kinderen voor de schulden van voorouders. Maar hij legt ook de uitzondering (Ezechiël 18:20) uit. Als de ouders onschuldig zijn, wordt het kind ook als onschuldig gezien. Het kind kan met een schone lei beginnen!

Dit is in onze tijd misschien een wat al te harmoniserende manier om de Bijbel te “redden.” Maar we kunnen ervan leren dat de rabbijnen al vroeg opmerkten dat de bijbelschrijvers met deze problematiek worstelden. Zelf worstelden ze er ook mee, en ze legden het op hun manier uit.

De realisering dat de vervuiling van lucht, water en aarde, en de uitbuiting van mensen en dieren al te gortig is geworden, was er al voor het virus. We rijden niet voor niets maximaal 100 op de lege snelwegen. De vraag naar een zondebok is van alle tijden, en soms ligt het voor de hand om de schuld bij de vorige generatie te leggen. Dat is echter nog geen oplossing voor het probleem. Uit de parabel kunnen we leren dat de cyclus kan doorbroken worden. Dit is helaas vaak een zaak van meerdere generaties.

Deze blog is gebaseerd op een werkstuk dat PThU student Gerco Guyt schreef ter afronding van de MA cursus Rabbinica aan de PThU, gedoceerd door Lieve Teugels. Een uitgebreidere versie van deze blog verscheen op 24 april 2020 als Bijbelblog van de PThU: https://www.pthu.nl/Bijbelblog/!/1466/ouders-schuld-ik-een-bult

Verder lezen

Zie G.M.G. Teugels, The Meshalim in the Mekhiltot. An Annotated Edition and Translation of the Parables in Mekhilta de Rabbi Yishmael of the Parables in Mekhilta de Rabbi Yishmael. Tübingen: Mohr Siebeck, 2019, 440-443.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.