Een boeddhistische gelijkenis van de verloren zoon

De afgelopen jaren hebben we op deze website veel blogs gepubliceerd over parabels in het antieke jodendom en christendom. Dit jaar willen wij onze blik op drie manieren verbreden: naar parabels uit andere perioden in het jodendom en christendom, naar parabels in andere culturen en religies én naar parabels in de literatuur en de filosofie. Om die verbreding mogelijk te maken hebben we een aantal experts gevraagd een gastblog te schrijven over parabels in hun vakgebied. De negende blog in de serie wordt geschreven door dr. Freek L. Bakker. Freek Bakker was tot zijn pensioen op 1 februari 2017 universitair docent en onderzoeker in hindoeïsme en boedhisme, godsdienstwetenschap, de interreligieuze dialoog en religie en film aan het departement voor filosofie en religiewetenschap van Faculteit Geesteswetenchappen van de Universiteit Utrecht. Hij heeft verschillende gezaghebbende boeken op zijn naam over onder meer het hindoeïsme in Nederland en Suriname. Voor deze blog verdiepte hij zich in een boeddhistische parabel, die een bijzonder boeiende variant lijkt te zijn van de Nieuwtestamentische gelijkenis van de Verloren Zoon.

Ook in het boeddhisme is de parabel zeer bekend. Dat wordt al duidelijk uit de blog van Tineke Nugteren die schrijft het over het gebruik van de Jātaka-verhalen als parabels. De Jātaka’s, die meestal over een voorval in een vroeger leven van de Boeddha gaan, stammen waarschijnlijk uit de vierde eeuw voor de gangbare jaartelling van het Westen[1] (Bareau: 23 en 26). Daarnaast komen we parabels tegen in de latere geschriften van het boeddhisme, bijvoorbeeld de Lotus Sūtra (Sanskriet titel: Saddharmapuṇḍarīkasūtra), die vermoedelijk ontstaan is aan het einde van de tweede eeuw of in het begin van de derde eeuw van de gangbare jaartelling, omdat daarvan in die tijd een Chinese vertaling het licht zag onder de naam Lotus Sūtra (Bareau: 121-122; Harvey: 92). Tenslotte kan hier nog gedacht worden aan de koans in het zenboeddhisme, waarvan vele ook het karakter van een parabel hebben.

Een met gouden en zilveren inkt geschreven manuscript van de Lotus Sutra, c. 1636, Japan (British Library)

Volgens de traditie van het mahāyāna-boeddhisme heeft Boeddha kort voor zijn dood de inhoud van de Lotus Sūtra bekend gemaakt aan diegenen die zich op dat ogenblik in zijn omgeving bevonden. Bovendien zou hij op dat tijdstip gezegd hebben dat de verhouding van de Boeddha tot alle levende wezens die van een vader tot een zoon is en dat iedereen Boeddha kan worden (Niwano: 130). Maar hierboven werd al gezegd dat volgens de wetenschap de Lotus Sūtra later ontstond in een tijd waarin er binnen het boeddhisme een scheuring was ontstaan tussen aan de ene kant het mahāyāna-boeddhisme en aan de andere kant het theravāda-boeddhisme. In het mahāyāna-boeddhisme, dat op dit moment dominant is in China, Korea, Japan en Tibet, draait het om de bodhisattva, degene die de verlichting kan bereiken, maar dat niet wil doen zonder eerst vele anderen naar de verlichting op weg geholpen te hebben. In het theravāda-boeddhisme, dat dominant is in Sri Lanka, Myanmar, Thailand en het moderne Cambodja, gaat het om de arhat, de monnik of een enkele keer een non die op weg is naar de verlichting en daarom door de leken onderhouden en geëerbiedigd moet worden, maar zelf de leken verlicht met zijn of haar diepe wijsheid. In de Lotus Sūtra heten deze arhats śrāvaka’s. Dat is de oude naam voor de monniken en nonnen van de sangha, de orde ooit nog gesticht door Boeddha zelf. Zij hebben de weg naar de verlichting gevonden dankzij de prediking van Boeddha. In het boeddhisme wordt echter ook over een derde groep gesproken, de zogenaamde pratyekabuddha’s. Zij zijn meestal eenzame asceten die op eigen kracht de verlichting bereikt hebben, maar hun kennis niet met anderen gedeeld hebben. Daarom zijn zij meestal onbekend (Bareau: 48; Harvey: 92).

15e eeuws portret van de monnik Nichiren

De Lotus Sūtra werd heel populair in China en Japan. In Japan kreeg het in de beweging van de monnik Nichiren (1222-1282), ontstaan in de dertiende eeuw, zelfs de status die de Bijbel heeft gekregen in het christendom. Het is die beweging die op dit moment in heel de wereld voor dit geschrift veel propaganda maakt (Ellwood: 118-120, 152; Harvey: 166-167).

De parabel

In hoofdstuk 4 wordt verteld dat de vier hoofdmonniken, Subhūti, Mahākatyayāna, Mahākāśyapa en Mahāmaudgalyāyana, aan Boeddha de volgende parabel vertelden om hem zo duidelijk te maken wat er bij hen leefde. Ik geef hier een enigszins ingekorte versie van dit verhaal:

Een jonge jongen was weggelopen uit het huis van zijn vader en leefde in een ver land tot hij vijftig jaar oud was. Toen raakte hij zonder werk. Hij werd hoe langer hoe armer en daarom besloot hij op zoek te gaan naar voedsel en kleren. Zo kwam het dat hij op een van zijn tochten in zijn geboortestreek terecht kwam.

Ondertussen had zijn vader veel verdriet gekend om het weglopen van zijn zoon. Hij had tot in de verste uithoeken van het land naar hem laten zoeken, maar tevergeefs. Intussen was de vader schatrijk geworden en had hij zich in een grote stad gevestigd. Zijn rijkdom was niet te overzien. Hij had vele dienaren en vazallen en een grote invloed in het land.

Zo gebeurde het dat toen de zoon zijn geboortestreek doorkruiste, hij in de stad van zijn vader terechtkwam en aan de poort van zijn vaders huis stond. Maar hij wist niet wie daar woonde.

Geen dag was er voorbijgegaan dat de vader niet aan zijn zoon dacht. Hij ging gebukt onder het verlies van de jongen en mijmerde: ‘Ik ben oud en versleten. Wat heb ik aan mijn rijkdom als ik geen kinderen heb. Vroeg of laat zal ik sterven en zullen vreemde mensen mijn bezit overnemen en erom vechten. Kon ik mijn eigen zoon maar weer terugvinden, dan zou ik gelukkig zijn en hem alles kunnen nalaten.’

Toen de zoon voor het huis van zijn vader stond besloot hij ook daar zijn geluk te beproeven. Hij ging de poort door, maar toen hij een eerbiedwaardige grijsaard zag omringd door deftige mensen die er heel voornaam uitzagen, werd hij bang. Hij dacht: ‘Deze heer is vast een koning of een hoge edelman. Ik ben hier niet op mijn plaats. Ik ga op het platteland naar werk zoeken.’ Haastig liep hij de poort weer uit.

Maar de oude man had hem gezien en hem meteen herkend. Een onbeschrijfelijke blijdschap welde in hem op. Hij besloot om alles aan hem te geven, maar hij begreep niet waarom zijn zoon weer weggelopen was. De vader stuurde zijn dienaren achter hem aan. Zij achterhaalden hem en grepen hem vast. Maar de zoon rukte zich los. ‘Ik heb toch niets misdaan,’ riep hij. Hij geloofde dat de mannen hem in de kerker zouden werpen. Hij schrok zo verschrikkelijk dat hij buiten bewustzijn raakte. Zijn vader die dit alles van een afstand gadegeslagen had, zei tegen zijn dienaren dat ze water op zijn gezicht moesten sprenkelen en hem als hij bijkwam moesten laten gaan. Zo gebeurde het en nadat de zoon was bijgekomen vluchtte hij weg. Hij trok een klein, verlaten dorp binnen op zoek naar voedsel en onderdak, zoals hij altijd had gedaan.

Ondertussen smeedde de vader een plan. Hij stuurde twee zeer armoedig geklede dienaren achter hem aan om hem uit te nodigen bij zijn vader te komen werken. De mesthoop moest worden weg geschept. En hij zou een dubbel loon ontvangen. De man nam de baan graag aan, omdat hij vond dat die precies bij hem paste.

Zo kwam de zoon terug en begon de mesthoop weg te scheppen. De hele dag stond zijn vader hem van verre gade te slaan. Maar toen kon hij zich langer inhouden, smeerde zich in met mest en begon zijn zoon te helpen. ‘Kom op, we gaan er tegenaan,’ zei hij en beiden werkten ze hard.

Na verloop van tijd begon de zoon zijn vader als een maat te beschouwen. Toen de vader dat merkte, zei hij: ‘Ik heb gehoord dat je geen huis en geen familie hebt, houd één ding vast: je kunt altijd op me rekenen, wat er ook gebeurt. Blijf hier werken, want ik zal ervoor zorgen dat je een hoger loon en een betere kamer krijgt. Mij mag je voortaan beschouwen als je vader. Maak je geen zorgen meer over je toekomst.’ De zoon was blij, maar van binnen voelde hij zich nog een verschoppeling.

De tijd begon echter te dringen, want de vader voelde zijn einde naderen. Hij riep zijn zoon bij zich en vertelde hem dat hij de grote eigenaar was van dit alles. De vader vroeg hem zijn opvolger te worden en in zijn plaats dit alles te beheren. De zoon wist dat de eigenaar hem volledig vertrouwde en deed zijn best een goede beheerder te zijn. Hij ontdekte zelfs dat hij dit werk leuk vond en zag in hoe zijn oude ideeën over hemzelf hem in de weg gezeten hadden en hem somber gemaakt hadden.

Toen de vader dit zag, kreeg hij rust. Hij belegde een vergadering, riep zijn zoon bij zich, en alle verwanten, vazallen, ministers en notabelen van het land en zei: ‘Dit is mijn bloedeigen zoon die vele jaren geleden naar het buitenland vertrokken is en weer is teruggekomen. Ik ben zijn vader. Alwat ik heb is nu van hem.’

De zoon was overweldigd. ‘Zonder dat ik er zelf iets voor heb gedaan,’ zei hij, ‘zonder dat ik er zelfs naar verlangd heb, zijn al deze schatten, is al deze eer mij toegevallen alleen door mijn vaders goedheid’ (Kubo en Yuyama: 79-84; Niwano: 123-127)

De uitleg

Direct na het verhaal komen de vier hoofdmonniken zelf met deze uitleg: ‘Die rijke vader is de Boeddha en wij allen zijn als de zoon.’ Vervolgens prijzen zij de Boeddha omdat hij hen dankzij zijn liefdevolle tact hen tot het diepere inzicht van het grote voertuig, van het mahāyāna-boeddhisme had gebracht, terwijl zij zich tevreden hadden gesteld met een mindere verlichting, namelijk die van de śrāvaka’s. Met andere woorden, het mahāyāna-boeddhisme verkondigt een verlichting die dieper is en superieur aan die van het theravāda-boeddhisme. Hoofdstuk 4 wordt vervolgens afgesloten met een lied, gezongen door Mahākāśyapa, dat het verhaal van de verloren zoon nog een keer vertolkt (Niwano: 127-128).

Standbeeld van Nikkyō Niwano

Nikkyō Niwano (1906-1999), die staat in de traditie van de Nichiren-beweging, komt echter met een veel grondiger verklaring. Hij wijst erop dat de vier hoofdmonniken voordat ze monnik werden net als de zoon in de parabel gewone mensen waren. Ook al was de zoon ver van huis toch bleef hij met zijn vader verbonden omdat ze familie van elkaar waren. Dat betekent dat ook gewone mensen de boeddhanatuur hebben. Door die natuur werd hij naar de vader, naar de Boeddha gedreven. De Boeddha is altijd vlakbij ons, de waarheid is immers alomtegenwoordig. Door slaafse onderworpenheid en vooroordelen keren de mensen zich echter van de Boeddha af. De Boeddha bedenkt een plan. Hij stuurt zijn dienaren achter zijn zoon aan, de śrāvaka’s en de pratyekabuddha’s. Zij hebben nog wel het voorkomen van gewone mensen, maar staan al op een hoger plan. Zij hebben de taak de gewone mensen op een hoger niveau te brengen en de menselijke vuiligheid in de vorm van menselijke illusies en zelfbedrog uit hun hart te verwijderen. Die śrāvaka’s zijn de mensen die in de parabel de mesthoop wegruimen. Zij bleven als dienaren een groot verschil ervaren met de heer, met de vader en daarmee ook met de Boeddha. Dat veranderde niet toen zij later beheerders werden. Daarom was hun verrassing groot toen de vader bekend maakte dat de zoon zijn wettige erfgenaam was en dat daarmee in principe iedereen de verlichting aangeboden in het mahāyāna-boeddhisme bereiken kan.

Maar, schrijft Niwano, de vier hoofdmonniken hadden een lange weg gegaan om zover te komen. Dat is niet nodig leert deze parabel. Het kan sneller. Daartoe moeten we om te beginnen alle slaafse onderworpenheid afleggen en ons bewust worden dat we allen de boeddhanatuur bezitten, de potentie ook zelf een Boeddha te worden. Dat zal zelfvertrouwen geven. Vervolgens moeten we met geloof en rede, allebei, de Lotus Sūtra gaan lezen en de wijze lessen daaruit tot ons laten doordringen om daarna alle mensen die als verloren zonen in de wereld ronddwalen tot de Boeddha te brengen. Dat de vier hoofdmonniken zelf een parabel vertelden maakt duidelijk dat we alle passiviteit van ons af moeten werpen en iedereen moeten uitleggen en vertellen wat we zelf ingezien hebben (Niwano: 128-132).

Contrapunt

Het boeddhisme is echter niet de enige beweging waarin een parabel over een vader en een verloren zoon verteld wordt. Ook in het christendom komt een dergelijke parabel voor, waarschijnlijk afkomstig van Jezus zelf. Hij staat in het evangelie van Lukas. Natuurlijk zijn er verschillen tussen deze twee parabels, alleen al dat de boeddhistische parabel spreekt over één zoon en de christelijke over twee zonen. Voor ik echter naar de verschillen wil kijken, wil ik aandacht geven aan de overeenkomsten.

Maar vooraleer we dieper op de overeenkomsten en verschillen ingaan, wil ik stilstaan bij het verhaal zelf, dat overigens stamt uit een evangelie geschreven rond het jaar 80 van de gewone jaartelling (Wikenhauser en Schmidt: 271-272). Dat betekent dat het verhaal in Lukas ouder is dan de parabel in de Lotus Sūtra.

Vervolgens zei [Jezus]: ‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.

Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’ (Lukas 15:11-32, Nieuwe Bijbelvertaling)

In Lukas wordt anders dan in de Lotus Sūtra bij deze gelijkenis geen uitleg gegeven. Wel staat ook dit verhaal in een context. Het is de derde en laatste van drie die in Lukas het antwoord vormen op een verwijt van Farizeeën en schriftgeleerden (Thora-kenners) aan Jezus dat hij zondaars ontvangt en met hen eet. Dat is afkeurenswaardig in hun ogen.

Hernieuwde uitleg

In het boek Parabels schrijft Albertina Oegema dat het medelijden van de vader het omslagpunt van het verhaal in Lukas vormt (zie ook deze blog). Zonder het medelijden van de vader zou er geen feest zijn geweest (Oegema: 170-171). Eigenlijk kan hetzelfde gezegd worden van de boeddhistische parabel. Als de vader zijn zoon niet had herkend was er aan het einde geen groot feest geweest. In de Lotus Sūtra voelt de vader blijdschap als hij zijn zoon terugziet, in Lukas een diepe ontferming. Wie beide verhalen leest, kan niet ontkennen dat desondanks de gevoelens van de beide vaders niet erg uiteenlopen. Al komt de nadruk op het medelijden – mededogen is misschien beter – pas later in de Lotus Sūtra, namelijk als de zoon de mestvaalt wegschept.

Ondanks de grote verwantschap in gevoelens bij beide vaders is hun optreden radicaal verschillend. Waar de vader in de boeddhistische gelijkenis ondanks een sterk gevoel van medelijden een zekere afstand bewaart om pas aan het einde van het verhaal zijn zoon te vertellen dat hij zijn zoon en erfgenaam is, omdat de vader bang is geen toegang tot het hart van zijn zoon te krijgen als hij die afstand niet in acht neemt, valt de vader in de christelijke gelijkenis zijn zoon om de hals en kust hij hem. Daarna geeft hij hem een prachtig gewaad, een ring en sandalen en slacht het gemeste kalf om samen feest te vieren omdat hij teruggekomen is – ‘want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden’. Daarmee erkent de vader hem direct als zijn zoon en geeft hem zijn plaats in de familie terug.

Is dit verschil een kwestie van cultuur? Weerspiegelt de ontvangst van de zoon in de parabel van Jezus de gang van zaken in een Joodse omgeving en die in het boeddhistische verhaal de wijze van omgang in de Indische, dan wel Chinese of Japanse cultuur? Is de band tussen vader en zoon in het Jodendom van het begin van de gangbare Westerse jaartelling emotioneler en spontaner dan die in het Verre Oosten? Het zou kunnen, maar ik denk dat het verschil vooral bepaald wordt door de thematiek van de beide parabels. Daarbij is bovendien van belang dat de zoon in de boeddhistische vertelling niet weet dat hij de vader voor zich heeft, terwijl de zoon in het verhaal van Jezus nadrukkelijk naar zijn vader op zoek is. Het is de vervreemding van de zoon van de vader in de boeddhistische parabel die de oorzaak is van dit verschil in gedrag.

En dan het andere verschil. De gelijkenis van Jezus is een tweeluik, waarin twee zonen in beeld komen, de jongste en de oudste. Gezien de opening van het hoofdstuk in Lukas met de kritiek van de Farizeeën en schriftgeleerden, gaan veel uitleggers ervan uit dat de parabel voor hen bedoeld is. Jezus’ verhaal heeft een open einde, heeft de bedoeling de toehoorders aan het denken te zetten en de interpretatie en het handelen dat daarbij hoort aan hen over te laten. Ondertussen is wel duidelijk er voor de vader – beeld van God – geen grens is aan zijn barmhartigheid en dat daarom Jezus met iedereen omgaat, ook met de zondaren.[2]

In de boeddhistische parabel staat de vader voor de Boeddha, in het mahāyāna-boeddhisme de verpersoonlijking van de andere werkelijkheid. Omdat goden onder de Boeddha staan is het woord god of goddelijk niet op zijn plaats, maar het gaat wel om een werkelijkheid die de werkelijkheid waarin wij leven transcendeert (Harvey: 177-178). Daarmee is hij wel vergelijkbaar met God in de gelijkenis van Jezus, hoewel er in de visie op de werkelijkheid van het transcendente tussen Jodendom en christendom aan de ene kant en het mahāyāna-boeddhisme grote verschillen bestaan. Niettemin maken beide verhalen duidelijk dat de aanwezigheid van de andere werkelijkheid in de werkelijkheid van het leven barmhartigheid betekent, mededogen, een bron van licht en goedheid waartoe iedereen zijn toevlucht kan nemen en die alle mensen tot hun recht wil laten komen en gelukkig wil maken.

De parabel van Jezus laat dat zien in al zijn warmte, waarin Jezus een beroep doet op anderen die moeite hebben met die warmte, om mee te gaan in deze beweging van de vader. De boeddhistische parabel laat zien hoe de vader niettegenstaande zijn eigen mededogen stapje voor stapje de mensen om hem heen diezelfde warmte laat ervaren waar hij voor staat.

Freek L. Bakker

Literatuur

André Bareau (1964), ‘Der indische Buddhismus’, in André Bareau, Walther Schubring en Christoph von Fürer-Haimendorf, Die Religionen Indiens, deel 3, Die Religionen der Menschheit 13, Stuttgart: Kohlhammer Verlag.

Robert Ellwood (2008), Introducing Japanese Religions, New York e.a.: Routledge.

Peter Harvey (1990), An Introduction to Buddhism: Teachings, History and Practices, Cambridge: Cambridge University Press.

Joachim Jeremias (1976), The Parables of Jesus, Study Edition, Londen: SCM Press, derde, gewijzigde druk.

Tsugunari Kubo en Akira Yuyama (2007), The Lotus Sutra, Taisho Volume 9 Number 262, vertaald uit het Chinees, Berkeley: Numata Center for Buddhist Translation and Research.

Nikkyō Niwano (1976), Hedendaags boeddhisme: Een moderne uitleg van de drievoudige Lotus Soetra, vertaling van Buddhism for Today: A Modern Interpretation of the threefold Lotus Sutra, een vertaling van een oorspronkelijke Japanse uitgave, Katwijk: Servire.

Henri Nouwen (2011), Eindelijk thuis: Gedachten bij Rembrandts ‘De terugkeer van de verloren zoon, Tielt: Lannoo nv.

Albertina Oegema (2020), ‘Een blik op het lijden van de zoon: De parabel van de verloren zoon en zijn boze broer’, in: Eric Ottenheijm en Martijn Stoutjesdijk, Parabels: Onderricht van Jezus en de rabbijnen, Berne: Uitgeverij Abdij van Berne, p. 169-172.

Eric Ottenheijm en Martijn Stoutjesdijk (2020), Parabels: Onderricht van Jezus en de rabbijnen, Berne: Uitgeverij Abdij van Berne.

Tonny Scherft (1981), Ongrijpbaar is de Ganges: Verhalen uit het Pāli, Amsterdam: Meulenhoff.

Alfred Wikenhauser en Josef Schmidt (1973), Einleitung in das Neue Testament, Freiburg e.a.: Herder.

Voetnoten

[1] In het boek Parabels: Onderricht van Jezus en de rabbijnen, in 2020 uitgegeven door Eric Ottenheijm en Martijn Stoutjesdijk, wordt in plaats van over voor Christus en na Christus gesproken over de gangbare jaartelling. Dat is gezien de problemen die sommigen hebben de dominantie van het christendom in het gebruik van voor en na Christus begrijpelijk, maar het komt in India vreemd over. Want daar is de Śaka-jaartelling gangbaar. Iets soortgelijks geldt ook voor China en Japan. Daarom is het misschien beter te spreken over de ‘Westerse jaartelling’ in plaats van de gangbare jaartelling.

[2] Voor de uitleg van de gelijkenis van Jezus heb o.a. gebruik gemaakt van Joachim Jeremias, The Parables of Jesus, p. 128-132 en Henri Nouwen, Eindelijk thuis: Gedachten bij Rembrandts ‘De terugkeer van de verloren zoon.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.