Parabelproject

Parabel van de maand juni: denk om je imago!

 

In deze rubriek presenteren wij elke maand een rabbijnse parabel (mashal) uit de midrash. Soms lijken die parabels op gelijkenissen uit het Nieuwe Testament, soms helemaal niet, maar altijd zetten ze aan tot nadenken.

In deze prachtige passage uit de Mechilta (een rabbijns commentaar op het boek Exodus) gaat het over de tien geboden (Exodus 20). De passage heeft als uitgangspunt dat de tien geboden die Mozes meebracht op twee stenen tafelen, gelijkelijk over die twee tafelen verdeeld zijn. Daarbij bevindt het zesde gebod zich tegenover het eerste gebod (zie het plaatje). Volgens de rabbijnen kun je dat gegeven gebruiken om het eerste en het zesde gebod uit te leggen. Vanuit dit perspectief is het doden van een mens een beschadiging van het imago van God en derhalve ook een overtreding van het eerste gebod; wie een mens (beeld van God) doodt, brengt ook schade toe aan God.

Mechilta van Rabbi Isjmael Bachodesj 8:

Hoe zijn de Tien Woorden gegeven? Vijf op het ene tablet, vijf op het andere. Er is geschreven: “Ik ben de Eeuwige je God”. Daar tegenover staat geschreven: “Je zult niet moorden”. De schrift wil dus zeggen, dat al wie bloed vergiet, dat het hem wordt aangerekend alsof hij het bloed verminderd heeft.

I. Een gelijkenis. Het lijkt op een koning van vlees en bloed, die een stad binnenging, en men stelde afbeeldingen van hem op, en men maakte beelden voor hem en men sloeg munten voor hem. Een tijd later keerde men de afbeeldingen ondersteboven, brak de beelden en maakte de munten onbruikbaar. En dus verminderde men het beeld van de koning.

II. Aldus. Al wie bloed vergiet, het wordt hem aangerekend alsof hij het beeld verminderd heeft.

Gelijk er gezegd is: “Wie het bloed van een mens vergiet”: “want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt” (Gen. 9:6).

Vertaling: Arie C. Kooyman, Als een koning van vlees en bloed, p. 77.

Handleiding voor het lezen van een mashal

Hoe lees je nu eigenlijk een rabbijnse parabel (mashal)? Het is belangrijk om te weten dat de meeste rabbijnse parabels gericht zijn op het oplossen van een probleem of onduidelijkheid in de tekst van de Torah (de eerste vijf boeken van het Oude Testament). We vinden de meshalim dan ook in de midrash, een rabbijnse vorm van exegese.
In het voorbeeld links treffen we dus eerst een citaat aan uit de Torah (met een bepaald probleem), en daarna pas komt de mashal. De mashal wordt vaak geïntroduceerd met een vaste formule, zoals ‘een parabel, het lijkt op’. Na het eigenlijke verhaaltje (de mashal proper) volgt de uitleg van de mashal, waarin de brug wordt geslagen met het probleem in de Torah. Deze uitleg wordt de nimshal genoemd. De nimshal wordt vaak geïntroduceerd met het woordje ‘zo’.
Kun jij ontdekken hoe de mashal hiernaast het probleem in de Torah oplost?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *